Als de belastingschuldige aannemelijk maakt dat hij vanwege de toepassing van de
overheidsvordering, bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de wet, een lager bedrag aan
bestaansmiddelen overhoudt dan overeenkomt met de voor hem geldende beslagvrije voet, maakt
de ontvanger de overheidsvordering op verzoek van de belastingschuldige in zoverre ongedaan met
inachtneming van hetgeen hierna volgt. Bij het verzoek verstrekt de belastingschuldige naast de
gegevens die van belang zijn voor de vaststelling van de beslagvrije voet een overzicht van de
banktegoeden, waaronder begrepen spaartegoeden, waarover de belastingschuldige onmiddellijk
na de overheidsvordering kon beschikken.
Ongedaan making blijft beperkt tot de laatste overheidsvordering voorafgaand aan het verzoek van
de belastingschuldige. Als sprake is van een belastingschuldige als bedoeld in artikel 19, tweede lid,
van de wet, berekent de ontvanger de beslagvrije voet met inachtneming van het bepaalde in artikel
19, eerste lid, laatste volzin van de wet. Het bepaalde in artikel 19.1.7 van deze leidraad is hierbij
van toepassing. Voordat de ontvanger tot teruggaaf overgaat, gaat hij na of de belastingschuldige
op het moment dat de overheidsvordering is gedaan, beschikte over banktegoeden, waaronder
begrepen spaartegoeden. Als het totaal van de banktegoeden waarover de belastingschuldige
onmiddellijk na de overheidsvordering kon beschikken groter is dan de voor hem geldende
beslagvrije voet, vermindert de ontvanger de teruggaaf met het meerdere.
Artikel 19 › Paragraaf 19.3.9.
Artikel 19.4
Beslagvrije voet en overheidsvordering
Onderdeel van LEIDRAAD INVORDERING GEMEENTELIJKE BELASTINGEN Alphen aan den Rijn