Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.30

Aflossing en rente geldlening

Onderdeel van Beleidsregels sociaal domein gemeente Huizen 2023

1.. De aflossing van de geldlening vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstand en vindt maandelijks plaats. 2.. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld overeenkomstig de draagkrachtberekening voor bijzondere bijstand. 3.. Bij een inkomen, dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm bedoeld in hoofdstuk 3 van de Participatiewet, wordt geen aflossing gevergd. 4.. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt het college, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast. 5.. Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vierde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van cliënt komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen. 6.. Indien cliënt tijdens de aflossingsperiode in verzuim is met het voldoen van de vastgestelde aflossingen, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is de wettelijke rente verschuldigd over de achterstallige aflossingstermijnen gedurende de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. 7.. Over een rentevordering is geen rente verschuldigd.

Rechtspraak bij dit artikel