Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk III. › Paragraaf 2.

Artikel 2.6.

Nadere beoordelingsrichtlijnen en beleidsafwegingen

Onderdeel van Nota archeologie Boekel

Project- of plangebied of perceel met verschillende archeologische waarden Indien binnen een plan- of projectgebied of perceel waarvoor een vergunning wordt aangevraagd volgens de archeologische beleidskaart verschillende archeologische waarden voorkomen, dan geldt de hoogste aanwezige waarde met bijbehorende vrijstellingsdrempel ter bepaling van de onderzoeksverplichting. Slechts als de hoogste waarde een zeer beperkt deel uitmaakt van het plangebied (< 10%), kan na afweging worden besloten om de oppervlakteondergrens te hanteren die het grootste deel uitmaakt van het plangebied. Project- of plangebied met vrijstelling onderzoek op grond van vrijstellingsdrempel Op plan- of projectgebieden waarvoor een bepaalde archeologische waarde geldt, maar die qua bodemingreep beneden de vrijstellingsdrempel voor onderzoek vallen, blijft de dubbelbestemming onverminderd van kracht. Indien uit (voor)onderzoek is gebleken dat geen archeologische waarden in het (plan)gebied meer te verwachten zijn, kan de dubbelbestemming Waarde-Archeologie van de verbeelding verwijderd worden. Inventariserend onderzoek in een project- of plangebied Indien op basis van de oppervlakte van de bodemverstorende ingrepen in een project- of plangebied een nader inventariserend archeologisch onderzoek wordt verplicht gesteld, dan heeft dat onderzoek minstens betrekking op het gehele plangebied of projectplan (afhankelijk van de omvang, veelal één of meerdere percelen). Een inventariserend onderzoek kan bestaan uit een (aanvullend) bureauonderzoek, een booronderzoek (verkennend, karterend) of een proefsleuvenonderzoek. Beperkte bodemingreep Indien door de aanvrager onderbouwd kan worden dat de bodemverstoring binnen het plandeel waar de feitelijke bodemingrepen gaan plaatsvinden (het verstoringsoppervlak, dat is de oppervlakte waarbinnen de bodemingrepen plaatsvinden) minder dan 5% uitmaakt van het oppervlak waarbinnen de ingreep plaatsvindt, kan de gemeente na afweging ontheffing van de onderzoeksverplichting verlenen. De dubbelbestemming Waarde-Archeologie blijft ongewijzigd aanwezig in het bestemmingsplan en op de verbeelding. Uitgangspunt hierbij dat het hier een ‘archeologiesparende’ vorm van bouwen betreft zoals door de toepassing van geboorde funderingspalen (zie ook 2.1 Behoud in situ). Bodemingrepen met een geleidelijk effect Een aparte categorie ingrepen vormen de ingrepen die een geleidelijk effect hebben op de dieper liggende archeologische resten. Het betreft dan voornamelijk die bodemingrepen die de afvoer van grond met zich meebrengt die niet wordt aangevuld. Hierbij kan gedacht worden aan het afplaggen van heide in het kader van natuurbeheer en -ontwikkeling, (laan)bomenteelt en graszodenteelt. In dergelijke gevallen is het belangrijk in het kader van een vergunning eerst vast te stellen wat het effect van de ingreep (op termijn) kan zijn op de eventueel aanwezige archeologische ondergrond. Activiteiten die vergunningplichtig zijn Gebieden met voorgenomen activiteiten die op basis van een in het bestemmingsplan opgenomen vergunningstelsel vergunningplichtig zijn, dienen alvorens de aanvraag tot vergunning in behandeling wordt genomen, onderzocht te worden middels een archeologisch (voor)onderzoek om vast te stellen wat het effect van de ingreep (op termijn) kan zijn op de eventueel aanwezige archeologische ondergrond. Bij vergunningplichtige activiteiten kan gedacht worden aan: diepploegen, aspergeteelt, drainagesystemen aanleggen, enz. Beleidsregel 6. De gemeente Boekel heeft naast al het bovenstaande nog enkele richtlijnen: 1.Indien in één plangebied meerdere verwachtingswaarden voorkomen, dan geldt de hoogste waarde (en dus de kleinste ondergrens). Slechts als de hoogste waarde een zeer beperkt deel uitmaakt van het plangebied (< 10%), kan na afweging worden besloten om de oppervlakteondergrens te hanteren die het grootste deel uitmaakt van het plangebied. 2.Indien geen onderzoek moet worden uitgevoerd omdat beneden de onderzoeksgrenzen (diepte- en/of oppervlakte-ondergrens) gebleven wordt, blijft de dubbelbestemming Waarde-Archeologie (WR-A) van het bestemmingsplan onverminderd van kracht. 3.Indien op basis van de oppervlakte van de bodemverstorende ingrepen archeologisch onderzoek noodzakelijk is, vindt dit plaats in het gehele plangebied. 4.Indien de bodem in minder dan 5% van het ingrepengebied verstoord wordt, kan de gemeente na afweging vrijstelling verlenen van de verplichting tot uitvoering van archeologisch vooronderzoek. 5.In gebieden waar ingrepen gepland worden met een geleidelijk effect dient eerst vastgesteld te worden wat het effect van de ingreep (op termijn) kan zijn op de eventueel aanwezige archeologische ondergrond. 6.Voor -agrarische- activiteiten die vergunningplichtig zijn (zoals diepploegen, aspergeteelt, drainagesystemen aanleggen, enz.) geldt eveneens de verplichting tot het uitvoeren van een onderzoek om vast te stellen wat het effect op de langere termijn kan zijn.

Rechtspraak bij dit artikel