Het vertrekpunt bij de beoordeling van de situatie met het normenkader is een ‘gemiddelde inwonersituatie’. Door de vele individuele casuïstieken uit verschillende onderzoeken is een scherp beeld van de gemiddelde inwoner die huishoudelijke hulp krijgt. Op basis van deze gemiddelde inwonersituatie hebben de normtijden een algemeen karakter gekregen en wordt voorkomen dat op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld. De gemiddelde inwonersituatie is als volgt omschreven:
Gemiddelde cliëntsituatie:
een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen;
wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap;
er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning kunnen vragen;
de cliënt kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld aanrecht afnemen, algemeen opruimen) zodat deze gereed is voor de schoonmaak;
de cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd;
er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd;
er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn;
de woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk.
Niet iedere inwoner past in deze omschrijving. Voor inwoners waarbij de gemiddelde situatie niet van toepassing is, kunnen invloedsfactoren worden meegewogen. Invloedsfactoren kunnen er liggen op het gebied van de kenmerken van de inwoner, de kenmerken van het huishouden en de kenmerken van de woning. Deze staan in het normenkader als ‘meer inzet’ of ‘minder inzet’. Daarmee wordt voor iedere inwoner maatwerk gerealiseerd.
De aanwezigheid van bepaalde kenmerken leidt niet automatisch tot meer inzet. Steeds moet de vraag beantwoord worden of een kenmerk al dan niet leidt tot extra vervuiling of vraagt om een extra niveau van schoon, waardoor meer inzet nodig is.
De volgende invloedsfactoren kunnen maken dat meer of minder ondersteuningstijd nodig is.
Kenmerken inwoner
Mogelijkheden inwoner zelf (minder inzet): de fysieke mogelijkheden van de inwoner om bij te dragen aan de uit te voeren activiteiten kan leiden tot vermindering van de ondersteuningstijd. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de inwoner mee. Als de inwoner nog duidelijk meer kan doen en ook werkelijk duurzaam doet dan afstoffen, bijvoorbeeld ten aanzien van het sanitair schoonmaken of de keuken of stofzuigen, dan kan zeker nog één of zelfs twee maal extra mindering met 15 minuten plaatsvinden. Dit dient gemotiveerd te worden. Ook bij de wasverzorging kan minder inzet aan de orde zijn wanneer de cliënt zelf nog (kleine) (kleding)stukken kan wassen, ophangen en/of opvouwen. Daarom staat hierbij ook een aftrekoptie voor de helft van de omvang (-/- 17 minuten).
Beperkingen en belemmeringen van de inwoner (meer inzet) kunnen gevolgen hebben voor de benodigde inzet. De hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is, is leidend, niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken:
Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren, besmet wasgoed (bijvoorbeeld bij chemokuur of Norovirus);
Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken. Ter voorkoming van problemen bij de inwoner voortkomend uit bijvoorbeeld allergie, astma, longemfyseem, COPD.
Vanwege extra vaak of extra goed moeten schoonmaken is tot 30 minuten meer inzet aan de orde als uitbreiding op het ene bezoek/werkmoment per week van de hulp nodig is. Tot 60 minuten meer inzet is in het algemeen aan de orde als een tweede bezoek/werkmoment per week van de hulp nodig is. Ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers (minder inzet): bovenop of in plaats van de mindere inzet vanwege de mogelijkheden van de inwoner zelf, kan ook nog aftrek plaatsvinden door de hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de inwoner en eventuele vrijwilligers, waardoor minder professionele inzet vanuit de gemeente noodzakelijk is omdat een deel activiteiten door niet-professionals wordt gedaan. De minder inzet kan 15 minuten zijn, maar kan ook meer dan 15 minuten bedragen. Dit is afhankelijk van de mate van ondersteuning die de client ontvangt. Dit dient gemotiveerd te worden.
Kenmerken huishouden
Samenstelling van het huishouden (meer of minder inzet): het aantal personen en de leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van meer dan twee personen in het huishouden, dan zijn eigen kracht en gebruikelijke hulp bepalend of er minder dan volledige overname of meer dan volledige overname van het huishouden moet worden ingezet.
Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet persé extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke zorg1Gebruikelijke zorg is de normale, dagelijkse zorg die partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten elkaar geven. ).
De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding (leeftijdsafhankelijk). Als er kinderen zijn, zijn er vaak ook meer ruimtes in gebruik. Een kind kan eventueel ook een bijdrage leveren in de vorm van mantelzorg en daarmee de benodigde extra inzet beperken of opheffen. Bij een kind kan ook sprake zijn van bijzonderheden (ziekte of beperking) die maken dat extra inzet van ondersteuning nodig is.
Huisdieren (meer inzet): door de aanwezigheid van een of meer huisdieren in het huishouden, kan door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Een huisdier veroorzaakt niet altijd extra benodigde inzet (goudvis in een kom, een niet verharende hond, etc.). Alleen wanneer uit het onderzoek blijkt dat het huisdier of de huisdieren voor meer vervuiling zorgen dan door het schoonmaken en stofzuigen verholpen kan worden, kennen we meer inzet (15 minuten) toe. De noodzaak daarvan dient goed gemotiveerd te worden. Uitzondering: er wordt altijd 15 minuten meer inzet geïndiceerd als er sprake is van een gecertificeerde hulphond.
Verzorging van huisdieren valt onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner, hier wordt geen meer inzet voor gerekend.
Een huisdier heeft vaak ook een functie ten aanzien van participatie en eenzaamheidsbestrijding. Met de inwoner moet in voorkomende gevallen overleg plaatsvinden over aantal of aard van huisdieren en welke gevolgen hiervan wel of niet ‘voor rekening’ van de gemeente komen.
Kenmerken woning
Inrichting van de woning: extra inzet nodig door bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties, waarin de inrichting een aanzien¬lijke extra ondersteuning vergt. Ook hierbij kan nader overleg met de inwoner zijn aangewezen over wie wat doet in het huishouden.
Bewerkelijkheid van de woning: extra inzet nodig door bouwkundige en externe factoren, bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand-of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes.
Omvang van de woning: een grote woning kan, maar hoeft niet persé meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd.
Extra kamer (meer inzet):
Een extra kamer moet ook daadwerkelijk een extra ruimte zijn die wel of niet in gebruik is en om meer inzet vraagt. Een erg grote bijkeuken is misschien meer dan de keuken. Een tweede wc boven die niet in de badkamer zit, hoeft weer niet als extra kamer gezien te worden omdat deze inzet in de tijd voor badkamer zit. Is de extra inzet nodig, dan wordt daarvoor 5 minuten extra geïndiceerd tenzij het een in gebruik zijnde slaapkamer betreft. Dit is onafhankelijk waar voor deze extra kamer wordt gebruikt. Van leeg- tot logeerkamer tot strijkkamer tot computerkamer etc.
Is de extra kamer in gebruik als slaapkamer dan meer inzet van 18 minuten per week per extra slaapkamer.
Er zijn inwonersituaties denkbaar die niet passen in het normenkader. Deze zijn zo uitzonderlijk dat hiervoor geen algemene normstelling mogelijk is. In dat geval moet bepaald worden welke ondersteuningsbehoefte er in deze inwonersituaties is. Een voorbeeld is de wasverzorging voor een huishouden met drie of meer personen.
Strijken en boodschappen
De ontwikkelingen rondom strijken en boodschappen zijn van invloed op het indiceren van hulp bij het huishouden:
Strijken wordt over het algemeen niet meer geïndiceerd, omdat hier in de vorm van strijkvrije kleding voorliggende oplossingen voor beschikbaar zijn.
Boodschappen halen wordt in het algemeen niet meer geïndiceerd, omdat hier in de vorm van boodschappenservices voorliggende oplossingen voor beschikbaar zijn.
Hierna volgt het normenkader. De uitwerking van het normenkader in activiteiten en frequenties is te vinden in bijlage 2.
Het normenkader is uitgewerkt op basis van minuten per week. Dit kader is daardoor concreet en cliëntgericht uitgedrukt. Echter, bedacht moet worden dat een indicatie daardoor soms wel op zeer specifieke minuten uitkomt. Om de huishoudelijke ondersteuning ook in de praktijk goed toe te kunnen passen, worden de geïndiceerde minuten per week altijd naar boven afgerond zodat we op 5, 10, 15, 20, 25, 30, 35, 40, 45, 50, 55 of 60 minuten uitkomen.
Heronderzoek
Wanneer tijdens een lopend recht op een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning de omvang van die maatwerkvoorziening wordt aangepast naar een lager aantal minuten vanwege een herindicatie, dan wordt een gewenningsperiode van maximaal zes maanden in acht genomen alvorens het aantal minuten wordt verminderd naar de nieuwe indicatie. Een gewenningsperiode korter dan zes maanden dient gemotiveerd te worden.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.1
Artikel 3.1.5
Normenkader Huishoudelijke Hulp 2019
Onderdeel van Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning