Het reizen naar en van school en dus ook de begeleiding is in de eerste plaats een taak van de ouders. Als dat niet mogelijk is, dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen.
Ouders moeten motiveren dat en waarom zij zelf of anderen niet hun kind kunnen begeleiden naar school en terug. Als ouders aantonen dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is, dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden kan aangepast vervoer worden toegekend.
Er kunnen specifieke omstandigheden zijn waardoor binnen een gezinssituatie dermate problemen ontstaan door het moeten brengen van een kind naar school, dat leerlingenvervoer een oplossing noodzakelijk is te achten. Die gezinssituatie wordt hierbij altijd getoetst aan het criterium van “ernstige benadeling van het gezin”.
In een 2-oudergezin is het feit dat één of beide ouders werken geen reden is om over te gaan tot toekenning van leerlingenvervoer. Dat is geen uitzonderlijke situatie. De ouders moeten dan zelf het begeleiden organiseren (evt. met hulp van anderen zoals een oppas, buren, familie of vrijwilligers). Dat wordt wettelijk gezien als redelijk te verwachten inzet van of vanuit de ouders.
In de volgende gevallen leidt begeleiding van de leerling volgens de gemeente tot een ernstige benadeling van het gezin:
Chronische ziekte/handicap bij beide ouders of de alleenstaande ouder, aangetoond met een medische verklaring waardoor begeleiding van de leerling niet mogelijk is;
Alleenstaande ouder met meerdere kinderen die nog niet zelfstandig naar school kunnen en begeleiding door anderen niet mogelijk is;
Alleenstaande ouder die aantoonbaar moet werken (aantonen met bewijs van werktijden);
Reistijd van begeleider van meer dan 3 uur per dag (dus per rit meer dan 1,5 uur retour ofwel meer dan 45 minuten enkele reis) in het openbaar vervoer.
Hoofdstuk 3.
Artikel 25.
Begeleiding bij vervoer: redelijke inzet ouders
Onderdeel van Beleidsregels bekostiging leerlingenvervoer gemeente Horst aan de Maas