Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Uitzonderingen en ontheffing

Onderdeel van Beleidsregel Verplichting tot zelfbewoning van nieuwbouw koopwoningen

De zelfbewoningsplicht en het anti-speculatiebeding zijn niet van toepassing bij: a. een verkoop op grond van een machtiging van een rechter als bedoeld in artikel 3:174 Burgerlijk Wetboek (rechterlijke dwang tot verkoop bij scheiding van onverdeelde woning); b. een executoriale verkoop door hypothecaire schuldeisers als bedoeld in artikel 3:268 Burgerlijk Wetboek (verzuim in betaling hypotheek op de woning); Het college kan, op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de oorspronkelijke koper, afwijken van de verplichting tot zelfbewoning en het anti-speculatiebeding, indien en voor zover er sprake is van: a. ontbinding van een huwelijk door scheiding, een bij de gemeente geregistreerd partnerschap of een notarieel vastgelegde samenlevingsovereenkomst; b. overlijden van koper of diens partner met wie de woning tezamen is aangekocht; c. verandering van werkkring van de koper en/of diens partner op grond waarvan aantoonbaar redelijkerwijs verhuisd moet worden; d. een ontheffing van het college op grond van andere schrijnende omstandigheden van de koper, welke aanvraag getoetst zal worden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; e. verhuizing waartoe wordt genoodzaakt door de gezondheid van koper of een van zijn gezinsleden. f. de aankoop van een nieuwbouw koopwoning ten behoeve van permanente bewoning door een familielid in de 1e graad, mits hiertoe een gezamenlijke verklaring van de koper en de toekomstige bewoner wordt overlegd aan de gemeente. Aan een verlening van een hierboven bedoelde ontheffing kan het college voorwaarden verbinden. Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in het vorige lid wordt de verplichting tot zelfbewoning als bedoeld in artikel 2 via een kettingbeding doorgelegd aan de opvolgend koper voor de resterende looptijd van de oorspronkelijke 5 jaren.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel