Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3: › Paragraaf

Artikel 3:

Bijbehorende bouwwerken (of uitbreidingen daarvan) binnen de bebouwde kom

Onderdeel van Beleidsregel Buitenplanse Afwijkingsmogelijkheden Gemeente Gulpen-Wittem 2023

Wettekst Artikel 4,eerste lid, onderdeel a, bijlage II Besluit Omgevingsrecht: Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking: een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen: niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf, de oppervlakte niet meer dan 150 m2; Beleidsregel Artikel 3.1 t/m 3.3 is niet van toepassing op vakantiewoningen. 3.1 Afwijking bijbehorend bouwwerk bij woningen Een afwijking voor bijbehorende bouwwerken bij woningen is toegestaan, met dien verstande dat: Het bijbehorend bouwwerk minimaal 1 meter achter, het verlengde van, de voorgevelrooilijn wordt gebouwd; De bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk maximaal 5,50 meter bedraagt; De gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken, buiten het in het bestemmingsplan aangewezen bouwvlak, maximaal 120 m² bedragen, met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte van het bouwperceel maximaal 50% bedraagt; De afstand van het bijbehorend bouwwerk tot aan het openbaar toegankelijk gebied minimaal 1 meter bedraagt; Bij vrijstaande woningen minimaal 2 meter uit de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd; Bij halfvrijstaande woningen met een kavelbreedte groter dan 12 meter aan één zijde de afstand tussen een bijbehorend bouwwerk en de zijdelingse perceelsgrens minimaal 2 meter bedraagt. Bij halfvrijstaande woningen met een kavelbreedte kleiner dan 12 meter bijbehorende bouwwerken in de perceelsgrens mogen worden gebouwd; In afwijking van het bepaalde onder 1 en 4 mogen bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel c.q. het verlengde daarvan gebouwd worden, mits: de aan de straatzijde aanwezige voorgevelrooilijn niet wordt overschreden en als het een garage betreft de afstand van tenminste 5 meter tot de perceelsgrens aan de zijde van het openbaar toegankelijk gebied in acht wordt genomen (gezien vanuit de toegang van de garage); In afwijking van het bepaalde onder 2 is een hogere bouwhoogte toegestaan, mits deze past in het straat- en bebouwingsbeeld (zie begripsbepaling 1.40); In afwijking van het bepaalde onder 3 is een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken mogelijk mits: in de bestaande situatie een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken is vergund en een deel van deze bijbehorende bouwwerken wordt gesloopt en de totale oppervlakte op het perceel niet toeneemt en er een wezenlijke kwaliteitsverbetering plaatsvindt. In afwijking van het bepaalde onder 3 is bij percelen groter dan 1000 m2 een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken mogelijk, mits: passend binnen het straat- en bebouwingsgebied van de omgeving en het woon- en leefklimaat is gegarandeerd en de bebouwde oppervlakte van het bouwperceel maximaal 50% bedraagt. Voor zover niet voorzien in de bestemmingsplannen dan mogen gebouwen plat worden afgedekt, mits dit past in het straat- en bebouwingsbeeld (zie begripsbepaling 1.40). In afwijking van het bepaalde onder 5 kan een afwijking van het bestemmingsplan worden toegestaan, wanneer sprake is van herbouw van een bestaand bijbehorend bouwwerk. 3.2 Afwijking voor carports en overkappingen In afwijking van het bepaalde in artikel 3.1 lid 1 mag een carport/ overkapping: maximaal 3,30 meter hoog zijn en op het achtererfgebied buiten het bebouwingsvlak een maximale oppervlakte van 30 m² hebben, mits het erf in totaliteit voor niet meer dan 50% wordt bebouw en verkeerskundig er geen bezwaren zijn tegen het aanleggen van eventueel benodigde extra inritconstructie; in afwijking van het bepaalde onder 2 mag een carport/overkapping aan de zijkant van het gebouw worden geplaatst en de voorgevel van de woning c.q. het verlengde daarvan overschrijden, mits: de overschrijding maximaal 2 meter bedraagt en de afstand tot de openbare weg minimaal 5 meter bedraagt (gezien vanaf de toegang tot de carport). 3.3 Uitbreiding bij andere gebouwen dan woningen Voor uitbreidingen bij andere gebouwen dan woningen geldt dat een afwijking van het bestemmingsplan alleen mogelijk, mits de noodzaak door de aanvrager is aangetoond en de overwegingen om af te wijken zorgvuldig zijn onderbouwd. Daarbij geldt dat het bebouwingsoppervlak op het bij het oorspronkelijke hoofdgebouw behorende perceel op niet meer dan 75% van de oppervlakte van dit gebied mag uitkomen. 3.4 Afwijking voor een schuilgelegenheid Op gronden met een agrarische bestemming kan van het bestemmingsplan worden afgeweken voor het oprichten van een schuilgelegenheid als bedoeld in artikel 1, onder voorwaarde dat: de schuilgelegenheid als een bijbehorend bouwwerk kan worden beschouwd bij een op hetzelfde perceel gelegen woongebouw; gelet op het bepaalde onder a op het betreffende perceel geen agrarisch bouwvlak is gelegen en de beweiding geen onderdeel uitmaakt van een volwaardig agrarisch bedrijf; de schuilgelegenheid een maximale bouwhoogte heeft van 4,50 meter en een maximale goothoogte van 3 meter; de schuilgelegenheid een maximale oppervlakte heeft van 12 m2; per perceel maximaal 1 schuilgelegenheid wordt opgericht; de landschappelijke inpassing van de schuilgelegenheid is verzekerd door een bij het landschap passende materiaal- en kleurkeuze; het materiaal van hout of ander natuurlijk materiaal dient te zijn en voldoet aan redelijke eisen van welstand; de schuilgelegenheid in beginsel wordt opgericht aan de rand van een perceel. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken, wanneer op het perceel één of meerdere (landschappelijke) elementen (bosschagers, houtwallen/-singels, begroeiingen of erfafscheidingen) aanwezig zijn die, gelet op hun aard en omvang, zorgen voor een betere beeldkwaliteit wanneer de schuilgelegenheid ter plekke wordt geplaatst; het gebruik van het bouwwerk gericht is op een schuilgelegenheid e niet als stal c.q. schuur. Er mag geen opslag van stro, voer of andere materialen plaatsvinden; ter bescherming en behoud van kenmerkende gebiedseigen natuurwaarden en landschappelijke kernkwaliteiten in beginsel geen schuilgelegenheid wordt toegestaan in Natura2000-gebieden/Goudgroene Natuurzone.. Op een dergelijke manier blijft de kwaliteit van het landschap en de openheid van het landelijke gebied zo veel mogelijk behouden. Indien het (maatschappelijk) belang van een schuilgelegenheid passend bij het karakter en de doelstelling van het gebied kan worden aangetoond, kan er middels de ‘nee-tenzij-methode’ toch een schuilgelegenheid worden toegestaan. Hiervoor geldt dan wel dat de verloren gaande waarden dienen te worden gecompenseerd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel