Om deel te kunnen nemen aan het maatschappelijk verkeer is het een vereiste dat iemand zich kan verplaatsen. Vervoer speelt hierbij een belangrijk rol. Een inwoner moet zich met één of ander vervoermiddel binnen zijn eigen woonplaats en het direct daaromheen gelegen gebied kunnen verplaatsen. Uit jurisprudentie blijkt dat om te kunnen participeren de inwoner de mogelijkheid moet hebben jaarlijks tot een max van 1500 tot 2000 kilometer te reizen binnen een straal van 15 tot 20 kilometer van de woning. Buiten dit gebied kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer, dat Valys in opdracht van het Ministerie van VWS verricht.
Wanneer een inwoner gebruik kan maken van reguliere vervoersmogelijkheden, openbaar vervoer of een vervoersvoorziening op grond van een andere wet, dan geldt dat de inwoner in het kader van eigen kracht het probleem zelf op kan lossen. Zo kan voor medisch vervoer bijvoorbeeld een beroep gedaan worden op de Zvw. Voor vervoer in het kader van arbeid kan met het UWV gekeken worden naar oplossingen en voor vervoer in het kader van onderwijs kan een beroep gedaan worden op leerlingenvervoer.
Als er na het optreden van beperkingen geen sprake is van een andere situatie op vervoersgebied dan daar-voor, dan is er geen noodzaak te compenseren omdat er geen probleem is of omdat de inwoner het zelf op kan lossen. Bijvoorbeeld de inwoner heeft al een auto en is gewend daar alles mee te doen. Dat kan anders zijn als door het optreden van de beperkingen ook het inkomen daalt.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.9
Vervoersvoorziening
Onderdeel van Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Bernheze 2023