In aanvulling op artikel 6 van de Wmo-verordening 2020 wordt er geen persoonsgebonden budget verstrekt als:
1. de inwoner zelf niet in staat is of blijkt te zijn een PGB te beheren of zorginhoudelijke afspraken te maken en er ook niemand in zijn omgeving is die dit voor hem kan doen. Het College toets de PGB-vaardigheid alvorens te besluiten een PGB toe te kennen.
2. er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een PGB in het verleden of er anderszins niet aan de geldende regels en verantwoordelijkheden is gehouden en dit verwijtbaar is.
3. het een toekenning betreft voor collectief vraagafhankelijk vervoer. Hier speelt het verantwoord laten functioneren van het collectief vervoerssysteem een belangrijke rol. Het College heeft een zwaarwegend financieel belang om rechthebbenden te laten deelnemen aan deze voorzieningen ten einde ze in stand te houden.
4. als de voorziening zich niet leent voor een persoonsgebonden budget, bijvoorbeeld omdat er sprake is van een progressief ziektebeeld of een kindervoorziening waarbij op voorhand vaststaat dat de voorziening binnen korte tijd vervangen moet worden.
Een aanvraag voor een PGB kan geweigerd worden voor zover de kosten van het PGB hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura. De situatie waarin het door de inwoner beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het College betekent niet bij voorbaat dat het PGB om die reden geheel geweigerd kan worden. Inwoners kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief of de kostprijs van de door hen gewenste leverancier of aanbieder hoger is dan het door het College voorgestelde aanbod.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.3
Geen keuze voor een persoonsgebonden budget
Onderdeel van Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Bernheze 2023