Naar hoofdinhoud
1. . Individuele bijzondere bijstand is mogelijk voor een huishouden dat een zelfstandige woonruimte bewoont en: dat door de gestegen energielasten te maken krijgt met hogere uitgaven voor gas en elektriciteit en hierdoor moeite heeft rond te komen met het maandelijkse huishoudinkomen, en waarvoor andere regelingen niet of onvoldoende oplossing bieden. 2. . Een huishouden komt in aanmerking voor individuele bijzondere bijstand wanneer het totale inkomen van het huishouden in de referte-periode niet hoger is dan 150 % van de toepasselijke bijstandsnorm. 3. . Voor de toepassing van deze regeling wordt met het vermogen zoals beschreven in artikel 34 van de wet alleen rekening gehouden voor zover het spaargeld is waar een huishouden direct over kan beschikken. 4. . Bij de bepaling van het inkomen wordt in de volgende situaties uitgegaan van het feitelijk besteedbaar inkomen: huishoudens opgenomen in de Wet schuldsanering natuurlijke personen; huishoudens die toegelaten zijn tot de gemeentelijke schuldhulpverlening; huishoudens met een beslaglegging op het inkomen; huishoudens met een inkomen hoger dan het inkomen genoemd in lid 2, maar waarbij door aantoonbare noodzakelijke kosten het feitelijk besteedbare inkomen lager is. 5. . Tot een huishouden wordt niet gerekend de persoon die op de peildatum: in een inrichting verblijft als bedoeld in artikel 1 aanhef en onderdeel f van de wet; is ingeschreven in de basisregistratie personen als ingezetene met alleen een briefadres.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel