**1. .** Het college kan aan belanghebbende een of meer voorzieningen aanbieden.
** 2. .** De werkgever kan volgend uit artikel 10 vijfde lid van de Participatiewet een aanvraag indienen bij het college voor de ondersteuning bij arbeidsinschakeling van een belanghebbende werknemer.
** 3. .** Het college houdt bij het aanbieden van de in dit hoofdstuk opgenomen voorzieningen rekening met
de mogelijkheden, omstandigheden en capaciteiten van een belanghebbende. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van belanghebbende en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:
de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; en
de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg;
andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. Het college houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak;
het aanbieden van de goedkoopst adequate voorziening;
de proportionaliteit van de investering ten opzichte van de maatschappelijke en persoonlijke opbrengst.
**4. .** Voorzieningen kunnen niet worden ingezet als daardoor de concurrentieverhoudingen onverantwoord worden beïnvloed of indien dit leidt of kan leiden tot verdringing van reguliere werknemers.
**5. .** Het college kan jaarlijks een of meer budget- en/of subsidieplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen.
** 6. .** Het college kan een voorziening weigeren als:
de belanghebbende ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep;
de belanghebbende onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening;
de belanghebbende een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening;
de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of
er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.
** 7. .** Het college kan een voorziening beëindigen als:
de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt;
de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep;
de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Participatiewet;
de voorziening naar het oordeel van het college niet langer voldoende bijdraagt aan een doeltreffende en doelmatige arbeidsinschakeling;
de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de belanghebbende die gebruik maakt van de voorziening;
de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of
de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.
Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.2
Artikel 3.2
Algemene bepalingen over participatievoorzieningen
Onderdeel van Verordening Sociaal Domein gemeente Eindhoven