Naar hoofdinhoud

Artikel 10.

Aanvullende verplichtingen van subsidieontvanger

Onderdeel van Subsidieregeling jeugdbescherming en jeugdreclassering Regio Midden-Limburg Oost

1.. Onverminderd de verdere in deze regeling opgenomen verplichtingen is de subsidieontvanger in ieder geval verplicht: bij de uitvoering van de subsidiabele activiteiten in overeenstemming te handelen met alle toepasselijke regelgeving, de norm verantwoorde werktoedeling, de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en de bij aanvraag overgelegde bescheiden; gebruik te maken van het iJW berichtenverkeer voor gegevensuitwisseling (met uitzondering van de berichten voor declaratie/facturatie) en de Collectieve Opdracht Routeer Voorziening (CORV); daarenboven zal de subsidieontvanger medewerking verlenen aan de beantwoording van een eventuele additionele gegevensuitvraag door de subsidieverlener; onverwijld melding te maken van dringende omstandigheden, waaronder in elk geval begrepen worden omstandigheden waarbij: voorzien wordt dat de certificeringseisen in gedrang komen; de continuïteit van de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering in gedrang komt door onvoldoende capaciteit; de continuïteit van de organisatie door problemen in de bedrijfsvoering in gedrang komt; de subsidieontvanger gebruik moet maken van onderaannemers, waarbij de subsidieontvanger garandeert dat ook de onderaannemer voldoet aan alle toepasselijke regelgeving en normering; er sprake is calamiteiten. zodra daar redelijkerwijs aanleiding toe is, uitvoering te geven aan het exitplan. In dat geval vindt tussen het college en de gecertificeerde instelling goed onderling overleg plaats en wordt over de procedure en eventuele kosten verbonden aan het exitplan op dat moment door het college in redelijkheid beslist. aangesloten te zijn bij de verwijsindex, bedoeld in artikel 7.1.2.1 van de Jeugdwet, en hiervan gebruik te maken in overeenstemming met de met het college gemaakte afspraken, bedoeld in artikel 7.1.3.1, eerste lid, van de Jeugdwet; medewerking te verlenen wanneer het college een extern (accountants)onderzoek instelt als het beschikt over signalen dat de gecertificeerde instelling in een risicovolle situatie verkeert (financieel en/of inhoudelijk); actief deel te nemen en bij te dragen aan de in de regio gebruikelijke vormen van overleg op uitvoerings- , beleids- en bestuurlijk niveau. 2.. De subsidieontvanger informeert het college onverwijld schriftelijk over: iedere gebeurtenis of ontwikkeling waardoor de financiële situatie van de gecertificeerde instelling substantieel verslechtert; de uitkomst van de jaarlijkse controle, bedoeld in artikel 3.2.3 van het Besluit Jeugdwet, onder gelijktijdige overlegging van de betreffende rapportage; het risico op het ontstaan van wachttijden en de acties die daarop genomen worden; het voornemen tot een instroomstop en de acties die daarop worden genomen; uitkomsten van onderzoeken door een Inspectie naar aanleiding van incidenten in de casuïstiek. 3.. De subsidieontvanger behoeft de voorafgaande toestemming van het college voor: de rechtshandelingen genoemd in artikel 4:71, eerste lid, onder a tot en met f en h tot en met j, van de Algemene wet bestuursrecht; een fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; samenwerking met anderen bij de uitvoering van de subsidiabele activiteiten; substantiële wijziging van een van de in artikel 4, vierde lid, genoemde bescheiden. 4.. De subsidie op grond van deze regeling mag uitsluitend worden aangewend voor het uitvoeren van activiteiten waarvoor subsidie is verleend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel