Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Intrekkingsregeling bij stilliggende activiteiten

Onderdeel van Beleidsregels intrekking omgevingsvergunningen

1.. Het college trekt een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b of g, van de wet in, indien na de start van de vergunde activiteit gedurende 26 weken geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de omgevingsvergunning. 2.. Het college trekt een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder, c, f of h, of artikel 2.2, eerste lid, onder a, b, c, d of e, van de wet van de wet in, indien na de start van de vergunde activiteit gedurende 3 jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de omgevingsvergunning. 3.. Indien de zienswijze van de vergunninghouder of een belanghebbende hiertoe aanleiding geeft, kan het college besluiten de voorgenomen intrekking van de omgevingsvergunning op te schorten met een redelijke termijn. Deze termijn bedraagt nooit meer dan 52 weken en kan meermalen verlengd worden. 4.. Bij de afweging of en voor welke periode de termijn, bedoeld in het derde lid, wordt opgeschort, worden zowel de belangen van de vergunninghouder of belanghebbenden betrokken als de belangen van het college bij directe intrekking van de omgevingsvergunning.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel