Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.1

Wettelijke kaders

Onderdeel van Nota Lokale heffingen 2022-2025 gemeente Enschede

Binnen de wettelijke kaders hebben de gemeenten de autonomie om te bepalen of en zo ja, welke belastingen en rechten worden geheven. Dat wil zeggen dat de gemeente geen andere belastingen en rechten mag invoeren, dan door de wetgever in artikel 219, lid 1, is toegestaan. De gemeenten bepalen, eveneens binnen de wettelijke kaders, de hoogte van de tarieven. De wettelijke kaders betreffen met name het aantal belastingen en rechten die door de gemeenten geheven mogen worden en het verbod op het heffen naar draagkracht. Het bedrag van een gemeentelijke heffing mag niet afhankelijk worden gesteld van inkomens, winst of vermogen. Dit wil zeggen dat het voor gemeenten niet is toegestaan om door middel van belastingverordeningen inkomenspolitiek te voeren. Belastingverordeningen Voor elke belasting die de gemeente wil heffen moet door de gemeenteraad een verordening worden vastgesteld. In deze verordening moeten de volgende zaken zijn geregeld: het voorwerp van de belasting; het belastbare feit; de belastingplichtige; de heffingsmaatstaf; het tarief; het tijdstip van ingang van de heffing; andere zaken die voor de heffing en invordering van belang zijn. Soorten heffingen In de lokale heffingen wordt onderscheidt gemaakt in belastingen, bestemmingsheffingen en rechten c.q. retributies. De belastingen behoren tot de algemene dekkingsmiddelen. Tegenover deze heffingen staat geen aanwijsbare tegenprestatie. Voorbeelden van gemeentelijke belastingen zijn de onroerende zaakbelasting en de hondenbelasting. Bij bestemmingsheffingen is daarentegen altijd sprake van dekking van specifieke kosten. Er is een verband tussen de heffing en het profijt van de groep belastingplichtigen. De geraamde opbrengsten van de gebonden heffingen mogen niet hoger zijn de begrote kosten. Uitgangspunt is een kostendekkendheid van maximaal 100%. Voorbeelden van gebonden heffingen zijn de afvalstoffenheffing en rioolheffing. Tenslotte kan de gemeente ook rechten heffen. Een recht wordt gevorderd voor een concrete dienst die wordt geleverd. Ook hier mag de geraamde opbrengst niet hoger zijn dan de geraamde kosten. De opbrengst mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het recht wordt geheven. Voorbeelden hiervan zijn de leges in het kader van de omgevingsvergunning. Op grond van artikel 219, lid 1, Gemeentewet kan een gemeente de volgende belastingen en rechten heffen: onroerende zaakbelastingen (artikel 220); belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten (artikel 221); baatbelasting (artikel 222); forensenbelasting (artikel 223); toeristenbelasting (artikel 224); parkeerbelastingen (artikel 225); hondenbelasting (artikel 226); reclamebelasting (artikel 227); precariobelasting (artikel 228); rioolheffing (artikel 228a); rechten, waaronder leges, reinigingsrechten en begrafenisrechten (artikel 229); afvalstoffenheffing (artikel 15.33 Wet Milieubeheer); bijdragen bedrijven investering zones (Wet op de bedrijfsinvesteringszones). In de volgende hoofdstukken worden de hiervoor genoemde heffingen, die in de gemeente Enschede worden toegepast, toegelicht. In hoofdstuk vijf wordt ingegaan op het gemeentelijk heffings- en invorderingsbeleid. Uitvoering (heffings-)verordeningen De uitvoering en invordering van belastingen is door de gemeente Enschede ondergebracht in de gemeenschappelijke regeling ‘Het Gemeentelijk Belasting Kantoor Twente’ (GBTwente). Dit is een samenwerkingsverband van de gemeenten Almelo, Borne, Enschede, Haaksbergen, Hengelo, Losser, Oldenzaal en Twenterand. De heffings- en invorderingstaken zijn op grond van de gemeenschappelijke regeling Gemeentelijk Belastingkantoor Twente door het dagelijks bestuur van het GBTwente geattribueerd aan de directeur van het GBTwente.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel