**1..** Voor het bepalen van de hoogte van het inkomen worden op de peildatum de volgende doelgroepen onderscheiden:
de alleenstaande;
de alleenstaande ouder met een kind jonger dan 18 jaar;
de gehuwden.
**2..** Onder een minimuminkomen wordt verstaan:
een fiscaal gezinsinkomen, dat minder dan, of gelijk is aan, 120% van het bruto WML voor gehuwden of daaraan gelijkgestelden of;
een afgeleid percentage van het WML voor alleenstaanden of alleenstaande ouders dat elk half jaar door de directeur Inkomen wordt vastgesteld, of;
een fiscaal gezinsinkomen dat hoger is dan 120% van die normen, maar waarvan dat meerdere is aangewend ter aflossing van een schuldenlast in het kader van een minnelijke schuldregeling bij de Gemeentelijke Kredietbank, een opgelegde schuldregeling op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen of een schuldregeling bij een door de gemeente aangewezen of gemandateerde instantie, of een inkomen op grond waarvan op basis van de daarvoor geldende toekenningscriteria van Voedselbank Nederland voedselpakketten worden verstrekt door Voedselbank Amsterdam aan het betreffende huishouden.
**3..** Het toepasselijke normbedrag voor de kosten van levensonderhoud als bedoeld in artikel 33, tweede lid van de wet en genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000 wordt meegenomen als inkomen, ook als dit niet daadwerkelijk is ontvangen:
Hoger onderwijs: € 932,87
Beroepsonderwijs: € 766,06
**4..** Indien door wijziging in de gezinssituatie ten aanzien van de aanvrager in de loop van de referteperiode twee of meer minimuminkomensniveaus van toepassing zijn, stelt het college naar evenredigheid een individueel minimuminkomensniveau vast.
**5..** Het inkomensniveau in het jaar voorafgaand aan het referteperiode is van toepassing indien de gegevens over de referteperiode redelijkerwijs niet beschikbaar zijn. Hetzelfde geldt voor het vermogensniveau op de peildatum.
Artikel 3:
Inkomensbepalingen
Onderdeel van Beleidsregels eenmalige energietoeslag studenten 2022 gemeente Amsterdam