Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 4.1

Thema 1 Biodiversiteit en natuurwaarden

Onderdeel van Beleidskaders Openbaar Groen

Biodiversiteit is de verscheidenheid aan leven in een ecosysteem, op een plek of in een bepaald gebied. De gemeente heeft een taak in het beschermen én het verhogen van de biodiversiteit (Wet Natuurbescherming). De versnippering van groen en natuurgebieden resulteert in geïsoleerde flora en fauna populaties, die daardoor achteruitgaan of uit de gemeente verdwijnen. Hoe meer verschillende soorten planten en dieren er zijn, hoe gezonder het ecosysteem en hoe hoger de natuurwaarde. Het fundament van een gezond ecosysteem begint bij de kwaliteit van de bodem en de biodiversiteit in de bodem. Een gezonde bodem is de basis voor het onderhoud, beheer en toekomstbestendigheid van het groen in de gemeente. Vooral in gebieden waar de natuurwaarde het hoogste is. De gemeente heeft in het kader van Duurzaamheid vijf pijlers opgesteld. Eén van deze duurzame pijlers is de pijler Water en Groen. Biodiversiteit is via deze pijler daarmee een belangrijke schakel in het duurzamer maken van de gemeente. Binnen dit thema wordt geformuleerd hoe groen bij draagt aan biodiversiteit binnen de Gemeente Medemblik. Op meerdere locaties in de gemeente vindt ecologisch maaibeheer plaats. Dit komt de biodiversiteit ten goede. In drie ecologisch beheerde gebieden in de gemeente wordt de natuur gemonitord. De aan-of afwezigheid van bepaalde flora- en faunasoorten zegt iets over de natuurkwaliteit van een groengebied. Dit geldt ook voor een bijzondere soort als de Argusvlinder, die in onze gemeente voorkomt (fig. 8). Fig.8: argusvlinder in Nibbixwoud © Egbert Baars, KNNV West-Friesland Ambities (wat wil de gemeente bereiken in de komende 15 jaar) Er is een robuust natuurnetwerk aanwezig. Het verlies van biodiversiteit is omgebogen naar biodiversiteitsherstel. De soortenrijkdom wordt in meer dan de huidige drie groengebieden, gemonitord aan de hand van natuurmonitoring. Om de biodiversiteit in de gemeente te kunnen monitoren worden er lokale (West-Friese) indicatorsoorten aangewezen. Minimaal deze indicatorsoorten worden gemonitord. Nieuwe bomenrijen en -groepen bestaan waar passend uit meerdere, deels inheemse, soorten. Natuur inclusieve manier van onderhoud- en beheer toepassen. Uitgangspunten Op de daarvoor geschikte locaties wordt natuurgericht beheer uitgevoerd zoals extensief maaibeheer. Het laten staan van een cirkel gras en kruiden rond de stamvoet van bomen draagt op kleine schaal bij aan biodiversiteit. Insecten vinden hier beschutting en voedsel, en vormen een voedingsbron voor vogels. Afmaaien moet periodiek geschieden, maar bij voorkeur niet bij alle bomen gelijktijdig. Minder maaien scheelt ook in de hoeveelheid maaischades aan de stam en stamvoet van bomen. Inzetten op organische bodemverbeteraars uit de regio in plaats van kunstmest. Inzetten op het verwijderen van (zwerf)afval in groengebieden en bermen. De verbindingszones en versnipperde groengebieden worden verder versterkt en verbonden zodat er een robuuster natuurnetwerk ontstaat waardoor er meer uitwisseling van flora- en faunasoorten ontstaat. Oevers richten we zoveel mogelijk natuurvriendelijk in. Bij het (her)inrichten van het openbaar groen kiezen we voor verschillende soorten bomen en planten (uitzonderingen mogelijk in belang van andere thema’s). Dit vergroot de biodiversiteit (fig. 9). We kiezen, waar passend, voor inheemse soorten. Grote aaneengesloten bestanden van één soort beplanting of bomen moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Het aandeel inheemse (boom)soorten varieert per type standplaats: In robuuste groenzones met een (gedeelde) natuurdoelstelling en buiten de bebouwde kom planten wij inheemse (boom)soorten aan. Alleen als inheemse soorten niet aan de specifieke standplaatseisen voldoen, planten wij uitheemse soorten. Denk aan iepencultivars op zeer winderige standplaatsen, of vervangers van gewone es (wegens de schimmelziekte essentaksterfte). Binnen de bebouwde kom, m.u.v. robuuste groenzones, beslaat het aandeel inheemse (boom)soorten 50%. Cultivars van en kruisingen tussen inheemse soorten worden hierbij als inheems beschouwd. Met het oog op de effecten van klimaatverandering bestaat de overige 50% uit uitheemse soorten. De uitheemse soorten kunnen komen uit zuidelijker klimaatgebieden of van ‘klimaatlijsten’ van boomkwekerijen.

Rechtspraak bij dit artikel