**1..** Voor de toekenning van een vervoersvoorziening gelden de navolgende uitgangspunten:
Het college betrekt bij de beoordeling van de hulpvraag ook eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, als genoemd in het eerste lid, van artikel 2.3 van de Jeugdwet.
Het halen en/of brengen van een jeugdige is gebruikelijk en daarmee ook de bijbehorende kosten. Vergoeding voor jeugdvervoer vanuit deze beleidsregels kan dan ook alleen wanneer ouders/verzorgers de jeugdige vanuit eigen kracht en/of het sociale netwerk de hulp niet zelf kunnen regelen.
Het vervoer van de jeugdige is en blijft de eigen verantwoordelijkheid van ouders/verzorgers, de jeugdige en het eigen sociale netwerk. Onder het sociale netwerk wordt in elk geval verstaan naaste familieleden (zoals broers, zussen, opa’s, oma’s, ooms, tantes, neven en nichten) en kennissen (zoals buren) en vrienden.
Pas wanneer vast is komen te staan dat ouders/verzorgers en/of de jeugdige op basis van eigen kracht en het eigen sociaal netwerk niet in staat zijn zelf vervoer van en naar de voorziening van jeugdhulp te organiseren, zijn deze beleidsregels van toepassing.
**2..** Het college beoordeelt of er sprake is van eigen kracht zoals genoemd in lid 1 onder d van dit artikel aan de hand van de volgende criteria:
Is de ouder/verzorger en/of het netwerk in staat de noodzakelijke hulp te bieden?
Is de ouder/verzorger en/of het netwerk beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden?
Levert het bieden van de hulp door de ouder/verzorger en/of het netwerk geen overbelasting op?
Blijft de ouder/verzorger en/of het netwerk de hulp zonder vergoeding bieden? En zo ja, komt de ouder/verzorger en/of het netwerk daardoor niet in de problemen?
**3..** Als uit onderzoek naar deze factoren volgt dat de ouders/verzorgers en/of het netwerk de benodigde hulp kunnen bieden zonder dat dit tot problemen leidt op één van deze terreinen, dan kan het college concluderen dat sprake is van voldoende eigen kracht.