Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.2

Afwegingskader

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Voorne aan Zee 2023

1.. Eigen mogelijkheden Voor een cliënt die zelf in staat is om zijn beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie op te lossen of zich op eigen kracht kan handhaven in de samenleving, bestaat geen noodzaak tot ondersteuning met een maatwerkvoorziening. Deze eigen verantwoordelijkheid is ook van toepassing wanneer: de cliënt redelijkerwijs de noodzaak tot ondersteuning had kunnen voorkomen; de cliënt redelijkerwijs maatregelen had kunnen treffen omdat de noodzaak voor ondersteuning voorzienbaar en/of voorspelbaar was voor de cliënt. Onder eigen mogelijkheden vallen ook adequate of nieuwe oplossingen die te verkrijgen zijn met behulp van behandeling, revalidatie, reactivering, leren of aanpassing van de omgeving of medische hulpmiddelen. 2.. Financiële mogelijkheden Het is niet toegestaan om slechts op basis van inkomen de ondersteuning op grond van de Wmo te verlenen of te weigeren. Maar het is wel toegestaan om over financiële zelfredzaamheid met de cliënt in gesprek te gaan. 3.. Voorliggende wet- en regelgeving Een maatwerkvoorziening wordt geweigerd, indien de cliënt aanspraak kan maken op een passende voorziening binnen voorliggende wet- en regelgeving, zoals een voorziening of dienst op grond van de Wet langdurige zorg, of ziektekostenverzekering. Als er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening, maar weigert om aan een onderzoek hiervoor mee te werken, kan ondersteuning via de Wmo worden geweigerd. 4.. Algemeen gebruikelijk Een voorziening, zijnde een zaak of dienst, die als algemeen gebruikelijk is aan te merken, wordt niet toegekend als maatwerkvoorziening. Een voorziening is algemeen gebruikelijk wanneer onderstaande criteria allen van toepassing zijn: niet speciaal bedoeld voor mensen met een handicap of beperking en, verkrijgbaar in de reguliere handel en, behoort voor een persoon zonder beperkingen tot het normale aanschafpatroon. deze financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Indien alle vragen met ‘ja’ kunnen worden beantwoord, is er veelal sprake van een algemeen gebruikelijke voorziening. In individuele gevallen kan een voorziening die op zichzelf als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd, vanwege specifieke omstandigheden van de cliënt toch niet algemeen gebruikelijk zijn. Bijvoorbeeld een plotseling optredende beperking, waardoor algemeen gebruikelijke voorzieningen eerder dan gebruikelijk moeten worden vervangen. In het geval een cliënt een inkomen heeft dat door aantoonbare voor de cliënt noodzakelijke en onvoorziene kosten als gevolg van de beperking onder de van toepassing zijnde bijstandsnorm dreigt te komen, kan een algemeen gebruikelijke voorziening toch voor vergoeding in aanmerking komen via de bijzondere bijstand. 5.. Gebruikelijke hulp Een cliënt kan geen beroep doen op een maatwerkvoorziening indien hulp, die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot/partner, ouders, inwonende kinderen vanaf 18 jaar of andere huisgenoten, in dusdanige mate aanwezig is dat daarmee een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt verondersteld kan worden. Van gebruikelijke hulp wordt in principe uit gegaan: in kortdurende situaties van maximaal 3 maanden: als uitzicht is op herstel van de zelfredzaamheid, dusdanig dat ondersteuning daarna niet meer nodig zal zijn. in langdurige situaties: bij normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals bezoek familie/ vrienden, bezoek arts, brengen en halen van minderjarige kinderen naar school, sport of clubjes etc., hulp bij overnemen van alle taken die bij het gezamenlijk huishouden behoren, zoals de thuisadministratie, het schoonhouden van het huis, etc., het leren omgaan van derden (familie, vrienden, leerkracht etc.) met de cliënt, ouderlijk toezicht op kinderen, de aard en mate hiervan is afhankelijk van de leeftijd van het kind. Van volwaardige gebruikelijke hulp door kinderen onder 18 jaar mag niet worden uitgegaan. Afhankelijk van de leeftijd en ontwikkeling van kinderen dient bekeken te worden of en welke bijdrage eventueel geleverd kan worden, of dat er juist extra ondersteuning nodig is, ter voorkoming van overbelasting bij jonge mantelzorgers, slechte prestaties op school, of het op andere manieren niet kunnen ontwikkelen zoals andere kinderen dat kunnen die gezonde ouders hebben. Van gebruikelijke hulp wordt niet uitgegaan in het geval van begeleiding en verzorging van jongere gezinsleden door inwonende kinderen vanaf 18 jaar, tenzij het volwassen kind aangeeft deze taken te willen verrichten en duidelijk is dat dit verantwoord is en de ouders hiermee instemmen. De afweging door de gemeente of sprake is van gebruikelijke hulp bij de individuele cliëntsituatie is maatwerk. In individuele gevallen kan een beroep op ondersteuning dat op basis van gebruikelijke hulp kan worden ingevuld, vanwege specifieke omstandigheden van de cliënt (tijdelijk nog) niet voldoende oplossing bieden. Bijvoorbeeld bij een plotseling optredende beperking waarbij specifieke vaardigheden bij huisgenoten nog ontbreken, of als het verplichte werkrooster van huisgenoten nog aangepast dient te worden, of bij beperkingen bij huisgenoten zelf. Hiervoor kan de gemeente aanvullende werkinstructies opstellen. Bij het toepassen van het criterium gebruikelijk hulp dient gewaakt te worden voor (dreigende) overbelasting van mensen die gebruikelijke hulp verlenen. Indien dit het geval is, is een beroep mogelijk op een maatwerkvoorziening, waaronder respijtzorg. Om vast te stellen of er sprake is van (dreigende) overbelasting kan in geval van twijfel (sociaal-medisch) advies ingewonnen. 6.. Inzet sociaal netwerk Indien de inzet van (niet afdwingbare) mantelzorg of informele hulp van andere personen uit het sociale netwerk resulteert in voldoende zelfredzaamheid en participatie van de cliënt is een maatwerkvoorziening niet noodzakelijk. Bij inzet vanuit het sociale netwerk dient gewaakt te worden voor (dreigende) overbelasting van mantelzorgers. Indien dit het geval is, is een beroep mogelijk op een maatwerkvoorziening, waaronder respijtzorg. Om vast te stellen of er sprake is van (dreigende) overbelasting kan in geval van twijfel (sociaal-medisch) advies ingewonnen. 7.. Collectieve voorziening Indien er een collectieve voorziening beschikbaar is waarmee het probleem in voldoende mate opgelost of verminderd kan worden, kan de cliënt geen beroep doen op een individuele maatwerkvoorziening. Een collectieve voorziening is een voorziening, georganiseerd door de overheid in de vorm van diensten, activiteiten, hulpmiddelen en/of uitkeringen, die openbaar toegankelijk is en passend voor een groot deel van de bevolking of de doelgroep. Bijvoorbeeld Openbaar Vervoer of de regiotaxi. In tegenstelling tot een individuele voorziening, die passend is (gemaakt) voor een individuele inwoner. 8.. Algemene voorziening Indien er een algemene voorziening beschikbaar is waarmee het probleem in voldoende mate opgelost of verminderd kan worden, kan de cliënt geen beroep doen op een individuele maatwerkvoorziening. Een algemene voorziening in het kader van de Wmo is een voorziening, georganiseerd door de gemeente en/of haar partners in de vorm van diensten, activiteiten en/of hulpmiddelen, die regelarm zonder uitgebreid vooronderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, (financieel) toegankelijk is en die is gericht op maatschappelijke ondersteuning. Bijvoorbeeld welzijnswerk, algemeen maatschappelijk werk, of de Onafhankelijke Cliëntondersteuning. Naast professionals zijn bij de inzet van diensten vaak ook vrijwilligers betrokken. 9.. Bijzondere woonvormen Indien een woonvorm niet als hoofdwoning dienst doet en dus niet permanent bewoond wordt, hoeft de gemeente geen maatwerkvoorziening te treffen die relatie hebben met deze woonvorm. Dit zijn bijvoorbeeld: hotels; pensions; trekkers-woonwagens; kloosters; tweede woningen; vakantiewoningen; recreatiewoningen; kamerverhuur. Op wat vermeld onder lid 9a kan een uitzondering worden gemaakt, indien dit in individuele situaties voor een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid of participatie noodzakelijk is. In dat geval wordt de bezoekbaarheid als een voldoende niveau beoordeeld, waarmee wordt bedoeld het kunnen bereiken en gebruiken van de woonkamer en het toilet. Voor wooncomplexen waar meer dan 60% van de woningen door 55+-ers bewoond wordt, is de eigenaar (of de vereniging van eigenaren/VvE) verantwoordelijk voor wat betreft aanpassingen in de gemeenschappelijke ruimtes van het gebouw, inclusief aanschaf, onderhoud, reparatie en verwijdering. Hier geldt dat deze voorzieningen als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt. Personen met aanspraak op een Wlz-indicatie (Wet langdurige zorg), die verhuizen naar of verblijven in een woonvorm waarbij de functie ‘verblijf op grond van de Wlz’ van toepassing is, kunnen geen aanspraak maken op woningaanpassingen of hulpmiddel op grond van de Wmo als het Wlz-verblijf met behandeling betreft, zoals een verpleeghuis of een psychiatrische behandeleenheid. Op een vervoersvoorziening voor sociaal vervoer kan wel aanspraak worden gedaan. Personen met (aanspraak op) een Wlz-indicatie, met de functie ‘verblijf zonder behandeling’, maar welke verhuizen naar of verblijven in een woonvorm die niet vrij beschikbaar voor de algemene woningmarkt en specifiek bestemd (gemaakt) is voor de bepaalde doelgroep met een beperking, kunnen geen aanspraak doen op woningaanpassingen op grond van de Wmo als deze woonaanpassing als algemeen gebruikelijk voor deze bepaalde doelgroep kan worden aangemerkt. Op een vervoersvoorziening voor sociaal vervoer kan wel aanspraak worden gedaan. In aanvulling op het voorgaande lid: de verstrekking van noodzakelijke hulpmiddelen op grond van de Wmo, die bestemd zijn voor personen met een Wlz-indicatie ‘verblijf zonder behandeling’, die daadwerkelijk verblijven in een specifieke woonvorm voor verblijf zonder behandeling, vindt plaats op basis van een privaatrechtelijke overeenkomst tussen de gemeente en de betreffende woonvorm. Waarbij wordt uitgegaan van het collectieve gebruik van hulpmiddelen, voorliggend aan individuele voorzieningen. Dit lid geldt tot nadere beleidswijziging en in elk geval niet langer dan de datum van overheveling van de verstrekking van hulpmiddelen van de gemeente naar de Wlz door het Rijk.

Rechtspraak bij dit artikel