Ook de binnendijkse landschappen van Vijfheerenlanden bieden een grote verscheidenheid aan flora en fauna. Kenmerkende soorten zijn bijvoorbeeld ree, grutto, blauwborst, kleine modderkruiper, ringslang, heikikker en rugstreeppad. Ook hier willen we de natuurwaarden behouden en waar mogelijk versterken. Uitgangspunt is het ontwikkelen van gebiedseigen of kenmerkende natuurtypen. Op de stroomruggen zijn dit onder andere bloemrijke graslanden, kruiden- en faunarijke akkertjes, hoogstamboomgaarden, bomenlanen en hagen. Hier en op de veenstroomruggen is ruimte voor agroforestry en voedselbossen. Daar liggen kansen op samenwerking tussen boeren en natuurbeschermers. Dit kan samengaan met een transitie naar landschaps- en natuurinclusieve (kringloop)landbouw.
Weidevogelkerngebieden en weidevogelrandzones
De provincie Utrecht maakt onderscheid in weidevogelkerngebieden en weidevogelrandgebieden. In weidevogelkerngebieden komen minimaal 10 broedparen van de grutto per 100 ha voor of een gezamenlijke dichtheid van 20 territoria per 100 ha voor de kritische weidevogelsoorten wintertaling, zomertaling, slobeend, kuifeend, scholekster, watersnip, grutto, wulp, tureluur en gele kwikstaart. In de meeste gevallen is de dichtheid hoger en het streven is gemiddeld ten minste 15 broedparen van de grutto per 100 ha agrarisch beheergebied. De weidevogelkerngebieden zijn ten minste 100 ha groot en zijn qua samenhang, ligging en openheid geschikt voor weidevogelbeheer.
Om de weidevogelkerngebieden heen liggen weidevogelrandzones, waar de dichtheden aan broedparen van de meeste weidevogelsoorten over het algemeen lager zijn. Omdat er in de weidevogelrandzone procentueel wel meer kieviten aanwezig zijn - die vaak afhankelijk zijn van wat drogere omstandigheden zijn hier soms ook beheermaatregelen op akkers wenselijk. Daarom zijn de eisen voor zwaar beheer en plas-dras in de weidevogelrandzones wat lager dan in de weidevogelkerngebieden.
Agrarische natuurcollectieven zorgen binnen de gebieden voor een kwalitatief goed mozaïek op de plaatsen waar draagvlak is voor weidevogelbeheer. In deze gebieden is het streven behoud en bij voorkeur verhoging van het aantal weidevogels, met prioriteit bij de grutto. Daar waar weidevogelreservaten aanwezig zijn is samenwerking met de betreffende natuurorganisatie essentieel. Beheer en inrichting van agrarische gronden en natuurgronden zijn zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. Ook wanneer natuurgebied geheel afwezig is, wordt voldoende kuikenland ingezet.
Provinciale subsidies zijn mogelijk voor diensten die de kans op het opgroeien en overleven van kuikens vergroten. Het weidevogelbeheer is gericht op een aantrekkelijke inrichting voor weidevogels, met een maximale overleving van nesten en kuikens via beheermaatregelen voor nestbescherming in combinatie met maatregelen voor kuikenoverleving zoals kruidenrijk grasland, plas-draspercelen, greppelbeheer, rustperioden via uitgesteld maaien en verbindingen met kruidenrijk grasland. Daarnaast zijn inrichtingsmaatregelen noodzakelijk, vooral om plas-drassituaties te creëren. De afspoeling van fosfaatrijk water van het perceel wil de provincie zoveel mogelijk beperken door aan het einde van de plas-drasperiode het water te laten uitzakken binnen het betreffende perceel. Daarnaast dienen de collectieven bij de keuze van de plas-draspercelen rekening te houden met perceeleigenschappen en de fosfaatgevoeligheid van het gebied.
In de gemeente Vijfheerenlanden (tot 2019 gedeeltelijk onderdeel van de provincie Zuid-Holland) wordt de precieze begrenzing van weidevogelkerngebieden en weidevogelrandzones herzien. Dat gebeurt met behulp van de gegevens van een weidevogeltelling in 2021 en op basis van de mogelijkheden, in overleg met het agrarisch collectief Vijfheerenlanden. De nieuwe begrenzing zal in het Natuurbeheerplan van 2023 (dat in maart 2022 in ontwerp wordt vastgesteld) worden opgenomen.
In het halfopen veenweidegebied zijn de grienden, natte bosjes en open graslanden karakteristiek, met daartussen de vele sloten. Dit landschap kan worden versterkt door het ontwikkelen van natte broekbosstroken van hakhout-, broek- of geriefhoutbosjes met een rijke variantie aan gebiedseigen bomen en struiken.
De open veenweidegebieden zijn een belangrijk leefgebied voor onder meer weidevogels als de grutto, een soort waarvan een groot deel van de wereldpopulatie in Nederland broedt maar waarvan de aantallen hard achteruit gaan in ons land. Het is daarom van belang deze gebieden in samenwerking met agrariërs en andere partijen geschikt te houden voor grutto’s en andere dieren en planten. We zien daarom vooral in de weidevogelkerngebieden (zie het kader hiernaast) een transitie naar duurzame natuurinclusieve landbouw en agrarisch natuurbeheer (zie ook paragraaf 4.1.1). Belangrijk daarbij is het open houden en vernatten van de weides, het creëren van een gevarieerd grasland, een aangepast maaibeheer en het terugdringen van vermesting en het gebruik van bestrijdingsmiddelen.
Voor de Natura 2000-gebieden zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor de soorten en habitats waarvoor die gebieden zijn aangewezen leidend. Dat betekent dat vooral in de zones nabij Natura 2000-gebieden extra aandacht zal moeten zijn voor het terugdringen van de stikstofemissies, idealiter in een zone van minimaal een kilometer rond gevoelige natuurgebieden. Overigens is dit een opgave voor het hele buitengebied en binnen meerdere sectoren: landbouw, veehouderijen, wegverkeer, industrie en binnenvaart. Gemeente Vijfheerenlanden sluit zich aan bij relevante samenwerkingsverbanden om de luchtkwaliteit te verbeteren.
Particulieren kunnen bijdragen aan het behoud van de bestaande natuurwaarden, bijvoorbeeld door het toepassen van agrarisch natuurbeheer in de open weidegebieden of door het natuurinclusief maken van hun erf (zowel de tuin als de bebouwing). Denk aan het plaatsen van nestkasten voor uilen of vleermuizen en het toepassen van gebiedseigen beplanting en bloemrijke kruidenmengsels voor bijen en andere insecten. Ook nieuwe ontwikkelingen zoals de vestiging van nieuwe landgoederen kunnen bijdragen aan het beheer en daarmee het behoud van voor de natuur waardevolle gebieden. Op deze wijze kunnen bijvoorbeeld de grienden in stand worden gehouden of kunnen watergangen ‘prachtsloten’ worden (gericht op meer biodiversiteit en een betere waterkwaliteit in het agrarisch landschap).
Natuurontwikkeling is het meest zinvol op plekken die geschikt zijn om te worden ontwikkeld als leefgebied voor bepaalde (doel)soorten (bijvoorbeeld weidevogels), maar ook op plekken waar deze bijdraagt aan het verbinden van gebieden waar reeds veel natuurwaarden aanwezig zijn. We hebben de ambitie (lokale) ecologische verbindingen te doen ontstaan:
tussen de Zouweboezem en de Viaanse grienden;
en aansluitend daarop zuidelijk langs Vianen (‘van Lek tot Lek’);
langs de Diefdijk (tussen de Lek en de Linge).
Idealiter zijn deze verbindingen zowel geschikt voor grotere zoogdieren als voor kleinere zoogdieren en amfibieën en ringslang. In de laatste twee te ontwikkelen ecologische verbindingszones liggen enkele barrières die door sommige diersoorten niet of nauwelijks gepasseerd kunnen worden. De grootste zijn de A27, A2 en het Merwedekanaal. Ten zuiden van knooppunt Everdingen is ecoduct Autena gerealiseerd. Voor de verbinding zuidelijk langs Vianen vormen de A27 en het Merwedekanaal daarom momenteel grotere barrières. We streven ernaar op termijn ook een verbinding te realiseren over of onder de A27 (bijvoorbeeld bij de verbreding van deze rijksweg). Dit is bij voorkeur een ecoduct dat ook geschikt is voor grotere zoogdieren. Een (goedkoper) alternatief zijn ecoduikers met looprichels onder de A27. Momenteel liggen er aan weerszijden van het kanaal alleen houtstobben onder het viaduct van de A27. Bij het Merwedekanaal zetten we in op de toepassing van uittreedplaatsen voor reeën zodat ze niet verdrinken en aan de overkant het water uit kunnen komen. Ten slotte is tussen Zijderveld en de Diefdijk ook een faunavoorziening gewenst over/ onder de A2, in de vorm van een ecoduct of anders van een ecoduiker of faunatunnel/-buis.
De linten zijn identiteitsdragers van het landschap. We willen de linten verder ontwikkelen tot ‘prachtlinten’ door dijken en wegbermen natuurvriendelijk in te richten en te beheren als verbindingen tussen stukjes natuur. De linten kennen onderling een grote diversiteit, van open tot besloten, eenzijdig of tweezijdig bebouwd, van slingerend langs de rivier tot rechte lijnen in het veenweidegebied.
We willen de woonomgeving en het buitengebied meer met elkaar verknopen. Door middel van samenhangende water- en groenstructuren kan deze verbinding tot stand komen. Dat is ook belangrijk voor de ecologische relaties tussen bebouwd gebied en het buitengebied, bijvoorbeeld voor vleermuizen en vogels die in de kernen hun verblijfplaatsen hebben, maar voedsel zoeken in het buitengebied. Zowel opgaande groenstructuren (bomenrijen/-lanen, hagen, struwelen, bosschages) als bermen en sloten met oevers worden zoveel mogelijk ecologisch beheerd: extensief maaien/snoeien en niet alles in één keer maar gefaseerd.
Hoofdstuk 4. › Paragraaf 4.2
Artikel 4.2.2
Verbinden en versterken van binnendijkse natuur
Onderdeel van Landschapsvisie Vijfheerenlanden 2040