De voorzitter bepaalt de plaats en tijdstip van de zitting waarin de belanghebbenden en de uitvoeringsorganisatie in de gelegenheid worden gesteld zich door de commissie te laten horen.
De belanghebbenden en de uitvoeringsorganisatie worden hiertoe ten minste twee weken voor de zitting schriftelijk uitgenodigd.
Binnen vijf werkdagen na de uitnodiging kunnen de belanghebbenden of de uitvoeringsorganisatie onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het tijdstip van de zitting te wijzigen.
De voorzitter deelt de beslissing op het verzoek als genoemd in het derde lid uiterlijk één week voor het tijdstip van de zitting mee.
De voorzitter kan in bijzondere omstandigheden afwijken van de termijnen die genoemd zijn in het tweede tot en met het vierde lid.
De voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht.