Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 3.5.

Arrangement

Onderdeel van Beleidsnota artikel 13b Opiumwet, gemeente Vlissingen 2021 (1e herziening)

Voor de uitvoering van het beleid is onderstaand handhavingsarrangement vastgesteld waarin de diverse verschijningsvormen van drugshandel met daarop de bestuursrechtelijke maatregelen zijn opgenomen. Om de naamsbekendheid van het drugspand en de aanloop naar de betreffende locatie teniet te doen, zijn de termijnen die in dit beleid zijn genoemd noodzakelijk. Onderscheid in hard- en softdrugs en samenloop Bij cumulatie van op te leggen maatregelen, bijvoorbeeld bij handel in softdrugs en/ of handel in harddrugs, en/of (een) voorwerp(en) en/of (een) stof(fen) ex artikel 10a, eerste lid, onder 3°, en/of 11a van de Opiumwet, is de zwaarst gestelde maatregel van toepassing of kan voor langere tijd worden gesloten, zie de indicatorenlijst. Indien handel in softdrugs wordt geconstateerd nadat er al een maatregel is opgelegd voor de handel in harddrugs, wordt de maatregel opgelegd die hoort bij de tweede of volgende constatering van handel in softdrugs. Indien handel in harddrugs wordt geconstateerd nadat er al een maatregel is opgelegd voor handel in softdrugs, wordt de maatregel opgelegd die hoort bij de tweede of volgende constatering voor handel in harddrugs. Overtreding In beginsel is het voor het bestuursrechtelijk optreden niet van belang of de betrokkene(n) de overtreding heeft begaan. De feitelijke constatering van overtreding van de Opiumwet is voldoende om over te gaan tot handhavend optreden. Daarnaast speelt de persoonlijke verwijtbaarheid van de betrokkene(n) van het pand waarin handel wordt geconstateerd geen rol bij de vraag of zich een situatie voor doet die tot sluiting van het pand noopt. Dit speelt enkel een rol bij het strafrechtelijk afhandelen van de overtredingen via het Openbaar Ministerie. Pand-gebonden Voor de toepassing van de in dit beleid opgenomen handhavingstappen is ook niet vereist dat een overtreding volgend op een eerdere overtreding door dezelfde persoon wordt begaan. Uitgangspunt is dat het bestuursrechtelijk optreden niet persoonsgebonden, maar pand-gebonden is. Een uitzondering hierop vormt de situatie dat een persoon, na een eerdere constatering van drugshandel door deze persoon in een bepaald pand, zich opnieuw schuldig maakt aan drugshandel in een ander pand. In een dergelijk geval wordt bij de op te leggen maatregel de eerste constatering van drugshandel ten volle meegewogen en is de maatregel die hoort bij de 2e of volgende constatering van toepassing. Huurwoningen/ lokalen Het feit dat de maatregel geen maatregel is die tegen de persoon is gericht, maar betrekking heeft op het pand van waaruit de drugs verhandeld werd en het tegengaan van overlast in de buurt, betekent dat verhuurders kunnen worden geconfronteerd met sluiting van hun pand, terwijl zij met de activiteiten niets te maken hebben. De ‘niet-verwijtbaarheid’ van de verhuurder is op zichzelf geen reden om de maatregel niet te nemen. Het belang van sluiting is namelijk groot in het kader van het antidrugsbeleid en de doelstellingen van de wet. In voorkomende gevallen kan er echter aanleiding zijn om de belangen die de verhuurder aandraagt om de sluiting van zijn pand te voorkomen of te verkorten, zwaarder te laten wegen dan het belang om onverkort toepassing te geven aan het hierna beschreven handhavingsarrangement. Dit kan alleen onder strikte voorwaarden met als belangrijkste uitgangspunten dat de doelstellingen uit deze beleidsnota in voldoende mate moeten zijn behaald. De wijze waarop de burgemeester met deze belangenafweging omgaat wordt hierna aangegeven. Afwegingskader bij huurwoningen/ lokalen 1. Daadwerkelijke sluiting van een drugspand is uitgangspunt Het sluiten van een pand op grond van artikel 13b van de Opiumwet is niet bedoeld om eigenaren/bewoners van panden of personen die betrokken waren bij de drugshandel te straffen. De sluiting is een maatregel die is gericht op het pand en het tegengaan van overlast in de buurt. Met de sluiting wil de burgemeester herhaling van de handel in drugs in of vanuit het pand en/ of voorbereidingshandelingen vanuit het pand voorkomen, de bekendheid van het pand als drugspand in het criminele circuit wegnemen en het signaal afgeven dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit. Het uitgangspunt is gelet hierop dat een opgelegde sluiting ook geëffectueerd wordt. 2. Verzoek tot voortijdige opheffing sluiting drugspand is mogelijk Het sluiten van een (huur)woning betekent dat, in de huidige tijd van grote krapte op de (sociale) huurmarkt, een gesloten woning gedurende een aantal maanden niet beschikbaar is voor bewoning. Het algemeen belang van bestrijding van drugshandel kan daardoor in conflict komen met het algemeen belang van beschikbaarheid van voldoende betaalbare woonruimte. Ook andere belangen kunnen ten grondslag liggen aan een verzoek door een verhuurder tot voortijdige opheffing van een gesloten drugspand. Onder bepaalde omstandigheden zou welwillend gekeken kunnen worden naar een verzoek tot opheffing van een reeds geëffectueerde sluiting van een drugspand. Daarbij speelt een belangrijke rol of de eigenaar/verhuurder kan aantonen: dat hij bij het aangaan van een huurovereenkomst inspanningen heeft gepleegd om illegaal gebruik van zijn pand te voorkomen; dat hij actief toezicht heeft gehouden op het gebruik van zijn pand; dat hij, na het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs in zijn pand, uit eigen beweging actie heeft ondernomen om de negatieve effecten daarvan op de openbare orde en de woon- en leefomgeving weg te nemen en voldoende maatregelen heeft getroffen om het risico op herhaling van verstoring van de openbare orde door illegaal gebruik van zijn woning voor drugshandel te verkleinen. 3. Van een eigenaar/verhuurder mag het nodige worden verwacht Bij een verzoek om opheffing van de sluiting moet steeds per geval bekeken worden of hieraan tegemoet gekomen kan worden. Daarbij wordt beoordeeld of de doelstellingen van de Beleidsnota artikel 13b Opiumwet in het concrete geval voldoende zijn bereikt. Daarnaast dient eigenaar/ verhuurder zich te gedragen als een “goed verhuurder”. De volgende punten worden in overweging genomen om te beoordelen of de eigenaar/ verhuurder zich kwalificeert als “goed verhuurder”: Er is sprake van een schriftelijke huurovereenkomst en een deugdelijke huuradministratie; Uit de huuradministratie blijkt dat de huur wordt voldaan aan de eigenaar/verhuurder en door degene met wie die huurovereenkomst is gesloten. Er dient sprake te zijn van bancaire huurbetalingen; De identiteit en kredietwaardigheid van de huurder(s) is geverifieerd door middel van identiteitsbewijs, werkgeversverklaring, recente loonstroken en/of een inkomensverklaring; Degene met wie de huurovereenkomst is gesloten en die de huur betaalt staat ook op het huuradres ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP); De eigenaar/verhuurder maakt aannemelijk dat hij voldoende concreet toezicht heeft gehouden en deugdelijk toezicht kan houden op het gebruik van het verhuurde pand. Dit moet onder meer blijken uit op schrift gestelde protocollen en werkwijzen en een beschrijving van de feitelijke uitvoering daarvan; De eigenaar/verhuurder maakt zelf actief melding van verdachte omstandigheden in zijn panden bij de politie. Hij kan dit aantonen bijvoorbeeld met behulp van een logboek waaruit blijkt wanneer welke meldingen hebben plaatsgevonden; De eigenaar/verhuurder moet zelf actief overgaan tot opzegging of beëindiging van de huurovereenkomst en het toewijzen van het pand aan een nieuwe huurder. De beëindiging van de huurovereenkomst en het feitelijk niet meer woonachtig zijn in een huurwoning door huurder moet volledig zijn voltooid alvorens een verzoek kan worden ingediend. 4. Aanpassing beleid geeft positieve prikkel aan eigenaar/verhuurder Er zal alleen overgegaan worden tot opheffing van een reeds geëffectueerde sluiting van een drugspand als de eigenaar/verhuurder zich aantoonbaar heeft gedragen als goed verhuurder. In voorkomende gevallen kan door actief toezicht en optreden van de eigenaar/verhuurder de schending van de openbare orde die gepaard gaat met drugshandel vanuit panden worden beperkt en daardoor met de benodigde hersteltermijn worden bekort. Met dit beleid wordt een actief toezicht op het gebruik van panden door eigenaren/verhuurders gestimuleerd. Van woningcorporaties en andere professionele verhuurders is bekend dat zij als organisatie voldoende toegerust zijn om de gestelde eisen te kunnen voldoen. Bij een verzoek tot voortijdige opheffing moet dit wel steeds worden onderbouwd. Dit mag echter ook van andere eigenaars/verhuurders worden verwacht. Bij verzoeken tot voortijdige opheffing van sluiting geldt dat de burgemeester het beleid voert dat als aan alle bovengenoemde voorwaarden is voldaan, de sluitingstermijn met de helft kan worden bekort. Er blijft namelijk een minimale termijn noodzakelijk, ook al is aan bovengenoemde voorwaarden voldaan, die nodig is om de vereiste signaalwerking te doen uitgaan naar de omgeving en naar het drugscircuit. 5. Exclusief recht voor betreding van de woning In voorkomende gevallen is het mogelijk dat naast een bekorting van de sluitingstermijn, voortijdig een exclusief recht voor betreding van het drugspand aan een verhuurder wordt toegekend indien hierom wordt verzocht in verband met bijvoorbeeld herstelwerkzaamheden. De herstelwerkzaamheden dienen dan voort te komen uit het feit dat in het pand drugshandel heeft plaatsgevonden. Dit verzoek moet worden onderbouwd met een uiteenzetting van de herstelwerkzaamheden die nodig zijn en een redelijke inschatting van de termijn die met de herstelwerkzaamheden gemoeid gaat. Indien de termijn van de herstelwerkzaamheden meer dan 2 weken bedraagt, kan een exclusief recht worden toegekend tegen het einde van de termijn van sluiting voor het aantal weken aan hersteltijd dat boven de twee weken zit. Samenhang locatie drugsvondst met andere gebouwen of gebouwdelen In verscheidene uitspraken is de vraag aan de orde gekomen of de locatie waar drugs zijn aangetroffen al dan niet één geheel vormde met andere delen van het gebouw of bouwwerken in de directe omgeving. Die vraag is van belang omdat bij voldoende samenhang tussen gebouwen of gebouwdelen het geheel door een sluitingsbevel kan worden getroffen. Er moet dan sprake zijn van voldoende functionele verbondenheid tussen de verschillenden gebouwen of gebouwdelen. Indien voldoende aannemelijk kan worden gemaakt, gelet op de jurisprudentie [6] dat de genoemde functionele verbondenheid aanwezig is, wordt het geheel aan gebouwen of gebouwdelen gesloten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel