Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.5

Artikel 3.5.2

Landschappelijke inpassing

Onderdeel van Afwegingskader Zon en Wind

Belangrijke uitgangspunten voor landschappelijke inpassing van zonneparken zijn: De verkavelingsrichting, de maat en vorm van de kavels zijn bepalend voor de vormgeving van het zonnepark. De realisatie van het zonnepark gaat niet ten koste van bestaande waardevolle landschapselementen. Het zonnepark moet aansluiten bij bestaande patronen en structuren in het landschap. In het geval niet kan worden voorkomen dat een landschapselement verdwijnt, moet dit element dubbel worden gecompenseerd. Er moet daarbij nadrukkelijk sprake zijn van een versterking van de landschappelijke waarden. Er dient landschappelijke inpassing op het perceel of rond het perceel plaats te vinden. Het zonnepark heeft een eenvoudige hoofdvorm. In kleinschalige landschappen kan een zonnepark bijvoorbeeld bestaan uit meerdere percelen, met een landschappelijke geleding. Per landschapstype gelden daarnaast nog verschillende uitgangspunten en typen landschapselementen die daarvoor kunnen worden benut. Landschappelijks criteria hebben mede tot doel om de kenmerken en eigenschappen van het landschapstype (bijvoorbeeld Kampenlandschap) te versterken en het onderscheid ten opzichte van andere landschapstypen (gebieds-identiteit) te behouden. Kleinschalig landschap, kampen landschap Het gebied van het kampenlandschap biedt door historische verkaveling en omzoming met houtwallen veel natuurlijke mogelijkheden om zonneparken in te passen in het landschap, het zal dan wel om kleinschalige parken gaan: “zon met principes”. Hoogte max. 1,5 meter, tenzij hoger vereist is voor combinatie met agrarisch gebruik of biodiversiteit. Oppervlakte aansluitend op kavelgrootte. Groter zonnepark te realiseren door enkele naast elkaar gelegen kavels te gebruiken, met in standhouden van tussenliggende landschapselementen. De samenvoeging van meerdere kavels moet zo plaatsvinden dat deze niet strijdig is met de beleefbare kleinschaligheid van het landschap. Zichtlijnen door het landschap en richting objecten moeten behouden blijven. Positie bij de bosrand of direct aan agrarisch bouwblok heeft voorkeur boven situering als los element(en) in de meer open delen. In geval van koppeling aan een bosrand, dienen de zonnepanelen zo geplaatst te worden dat ze, liefst gecamoufleerd door lagere beplanting, bezien vanaf de doorgaande weg, wegvallen. De afwisseling tussen besloten en openheid moet behouden blijven. Eventuele camouflage met gebruik van gebiedseigen landschapselementen. Open agrarisch gebied, strokenverkaveling Dit gebied heeft gezien het open karakter en de kenmerkende overgang van Heuvelrug naar Vallei niet de voorkeur. Mocht uitgaande van andere overweging een (rest) perceel in dit gebied overwogen worden, dan gelden de volgende uitgangspunten: Hoogte max. 1,5 meter, tenzij hoger vereist is voor combinatie met agrarisch gebruik of biodiversiteit. Oppervlakte is afgeleid van het streven naar een optimum tussen spreiden en concentreren. Zichtlijnen door het landschap en richting objecten behouden. Geen vaste voorkeurspositie in het landschap (al dan niet direct bij bebouwing/wegen). Dit is afhankelijk van het type project. Vorm van veld in lijn met bestaande kavelstructuur, aandacht voor de aanwezige en beeldbepalende verhouding open en dicht. Geen rafelranden, maar een vloeiende lijn volgend in landschap. Eventuele camouflage met gebiedseigen landschapselementen en behoud van openheid. Landschapstype bos Grondgebonden zonnepanelen in het bos zijn alleen mogelijk direct bij bestaande bebouwing. Dus de gebieden die al een functie hebben die afwijkt van de NNN. Daarbij gelden dan dezelfde uitgangspunten als voor zon in de andere landschapstypen. Overige uitgangspunten Het ontwerp dient te voldoen aan de volgende voorwaarden: Minimaal 10% van het projectgebied (oppervlakte van het zonnepark) wordt in het ontwerp bestemd als blijvende natuur/ beplanting en/of agrarisch in gebruik. Mogelijke combinaties met andere functies, bijvoorbeeld recreatie, natuur of agrarisch, worden onderzocht. Multifunctioneel gebruik is het uitgangspunt. Het ontwerp moet zijn voorzien van een landschappelijk inpassingsplan met onderbouwing, waarbij de lokale landschapskarakteristiek als uitgangspunt wordt genomen. Bestaande bomen mogen in principe niet worden verwijderd. In het landschappelijk inpassingsplan worden de volgende ontwerpprincipes gehanteerd: Volg de hoofdrichting in het landschap; Gebruik gebiedseigen landschapselementen en beplantingen; Benut kansen om landschap en ecologische structuur te herstellen of te versterken; Gebruik de patronen, maat en schaal en structuur van de aanwezige verkaveling; Houd rekening met zichtlijnen in het landschap; Creëer passende overgangen naar de omgeving: Combineer bijvoorbeeld hekwerk met landschappelijke beplanting; Zorg voor een rustig totaalbeeld: Bijvoorbeeld zelfde richting zonnepanelen, 1 type zonnepaneel; De ondergrond van zonneparken wordt niet verhard en biedt ruimte voor bodemleven; Zorg voor afstand tussen de panelenrijen, zodat er voldoende lichtinval is; Houd rekening met aanwezige natuur; Bijvoorbeeld hoogte en vermazing hekwerk Verschillende opstellingsvarianten te onderzoeken en daarover ook een advies te vragen aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Algemeen Wij zijn terughoudend in het gebruik van agrarische gronden voor zon op land. Er kan alleen meegewerkt worden als sprake is van restgronden (dus niet (meer) geschikt van landbouw, dan wel natuur) en als sprake is van dubbel gebruik. Om te stimuleren dat maximaal gebruik gemaakt wordt van de eerste trede van de zonneladder geldt voor de toepassing van trede 3 tot en met 5 het volgende: Verzoeken voor trede 5 worden pas in behandeling genomen, nadat er ervaring is opgedaan met trede 3 en 4. Voor trede 3 wordt maximaal meegewerkt aan 20 ha. Voor trede 4 wordt maximaal meegewerkt aan 20 ha uitgaande van projecten van maximaal 10 ha. Zodra deze maxima bereikt zijn vindt een evaluatie plaats en zal een nieuw uitgangspunt opgenomen worden.

Rechtspraak bij dit artikel