**1..** Het college kan besluiten tot een verbod om afvloeiend hemelwater en grondwater te lozen in het openbare vuilwaterriool en/of het openbare hemelwaterstelsel in door het college aangewezen gebieden. Een dergelijk besluit wordt aangehaald als gebiedsaanwijzing. Het college kan daarbij bepalen dat het verbod geldt voor nieuwe voorzieningen van waaruit lozingen van hemelwater en grondwater plaatsvinden.
**2..** Het college kan in een gebiedsaanwijzing, als bedoeld onder het eerste lid, besluiten dat dit niet geldt voor inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer en/of voor de openbare weg.
**3..** Bij het vaststellen van een gebiedsaanwijzing houdt het college rekening met het geldende gemeentelijk rioleringsplan, met inbegrip van eventuele opvolgende regelingen vanwege de inwerkingtreding van nieuwe wetgeving of na afloop van de plan-/programmaperiode.
**4..** Het uit de gebiedsaanwijzing voortvloeiende verbod, als bedoeld in het eerste lid, geldt vanaf 12 maanden na de dag waarop de gebiedsaanwijzing bekend is gemaakt.
**5..** Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, als van de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater of grondwater kan worden gevergd. Aan de ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
**6..** Op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 2
Lozingsverbod hemel- en grondwater
Onderdeel van Verordening op de afvoer van hemel- en grondwater