Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Uitgangspunten begrotingsrechtmatigheid

Onderdeel van Beleidsnota rechtmatigheid

Met betrekking tot de toetsing van de begrotingsrechtmatigheid en toepassing van het begrotingscriterium worden de volgende uitgangspunten bepaald: 1. De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting (het gaat hierbij om de baten en lasten op programmaniveau, de investeringskredieten en de mutaties van reserves) door de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5 van de financiële verordening. 2. Bij investeringskredieten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaalbedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd. 3. Uitgangspunt is dat iedere afwijking van de begroting als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen worden als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties: a. er is sprake van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren; b. er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling. De overschrijding is geautoriseerd door middel van de vaststelling van een tussentijdse rapportage; c. de overschrijding gecompenseerd wordt door een onttrekking uit een bestemmingsreserve of voorziening, mits de bestemmingsreserve of voorziening ook betrekking heeft op het desbetreffende programma en de bestemmingsreserve of voorziening toereikend is. 4. Begrotingsonrechtmatigheden die passen binnen het bestaande beleid van de raad, worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording (voor zover de verantwoordingsgrens voor afzonderlijke fouten of onduidelijkheden is overschreden), maar worden niet nader toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering. 5. Begrotingsonrechtmatigheden op geactiveerde uitgaven (investeringen), waarvan de gevolgen zichtbaar worden via hogere kapitaallasten in het jaar zelf of in volgende jaren, zijn onrechtmatig en tellen in het jaar van investeren mee in het rechtmatigheidsoordeel. 6. Begrotingsonrechtmatigheden geconstateerd na afloop van het verantwoordingsjaar betreffende activiteiten welke achteraf als onrechtmatig moeten worden beschouwd omdat dit bijvoorbeeld bij nader onderzoek van de subsidieverstrekker, belastingdienst of een toezichthouder blijkt (bijvoorbeeld een belastingnaheffing), tellen niet mee in het rechtmatigheidsoordeel. Het zal hier in de praktijk vaak gaan om interpretatieverschillen bij de uitleg van wet- en regelgeving die na afloop van het verantwoordingsjaar aan het licht komen. 7. Mutaties in reserves die niet zijn gedekt door een voor 31 december van het verslagjaar genomen raadsbesluit worden als onrechtmatig beoordeeld. Budgetoverheveling tussen begrotingsjaren De overheveling van budgetten tussen begrotingsjaren maakt ook onderdeel uit van de begrotingsrechtmatigheid en wordt bij geconstateerde afwijkingen op de hiervoor vastgestelde voorwaarden meegenomen in het rechtmatigheidsoordeel. De overheveling van budgetten naar het volgende dienstjaar vindt plaats door middel van de vorming van een bestemmingsreserve. Daarbij gelden de volgende richtlijnen die in acht moeten worden genomen. Afwijkingen van deze richtlijnen c.q. bepalingen worden beoordeeld als rechtmatigheidsfouten (begrotingscriterium). Overheveling in het verantwoordingsjaar zelf (slotwijziging) Daarbij gaat de voorkeur uit dat het college uiterlijk in de raad van december - via de slotwijziging – aangeeft voor welke budgetten de werkzaamheden het dienstjaar overschrijden, dan wel pas in het volgende dienstjaar starten en overheveling van het budget naar het volgende begrotingsjaar gewenst is. De raad moet instemmen met de vorming van de bestemmingsreserve (autorisatie). Aan de budgetoverheveling en de vorming van een dergelijke bestemmingsreserve zijn de volgende voorwaarden verbonden: 1. de bestemmingsreserve heeft - in beginsel - een duur van één jaar, met een maximum van 2 jaar; 2. het bedrag dat per activiteit wordt overgeheveld bedraagt minimaal € 15.000; 3. het gaat om een afzonderlijk budget dat bestemd is voor een aangewezen doel of activiteit (dus niet om reguliere werkzaamheden uit een regulier budget); 4. in de onderbouwing van de budgetoverheveling wordt expliciet ingegaan op het eenmalige karakter van de activiteit en de reden van vertraging. Overheveling in het jaar volgend op het verantwoordingsjaar (jaarrekening) De over te hevelen budgetten kunnen door het college ook meegenomen worden in het bestemmingsvoorstel bij de jaarrekening, onder de bovengenoemde voorwaarden, met dien verstande dat pas na instemming van de raad het college de over te hevelen budgetten mag besteden. Bovendien zal het college als toelichting op het voorstel gemotiveerd moeten aangeven waarom de overheveling niet in het verantwoordingsjaar zelf nog kon worden meegenomen.

Rechtspraak bij dit artikel