Deze paragraaf is van toepassing op bomen en houtopstanden:
die gelegen zijn binnen de bebouwde kom als bedoeld in artikel 2.14, en:
die niet gelegen zijn binnen de bebouwde kom als bedoeld in artikel 2.14, voor zover het gaat om houtopstanden op erven of in tuinen en uit populieren of wilgen bestaande:
wegbeplantingen;
beplatingen langs waterwegen, en
eenrijige beplantingen langs landbouwgronden.
Hoofdstuk 3 › § 3.2.3.
Artikel 3.24
Toepassingsbereik
Onderdeel van Regels Verordening Fysieke Leefomgeving