Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 15.

Reserves en voorziening groot onderhoud

Onderdeel van Financiële verordening gemeente Enschede

1.. Het instellen, toevoegen, onttrekken of opheffen van een reserve is de bevoegdheid van de raad en dient bij afzonderlijk raadsbesluit (apart beslispunt) plaats te vinden. 2.. Het algemene uitgangspunt is het, in alle redelijkheid, zo veel mogelijk beperken van reserves, zowel qua aantal als qua omvang. 3.. Bij een voorstel voor de instelling van een reserve wordt minimaal aangegeven: de functie (dekking- en besteding, buffer- en egalisatie, financiering, inkomen) en het specifieke doel van de reserve; de omvang en de wijze van stortingen en onttrekkingen, inclusief de onderbouwing hierbij; de minimale en/of maximale hoogte van de reserve; en de maximale looptijd van de reserve; de bestedingsraming en op welke tussentijdse momenten daarop evaluatie plaatsvindt. 4.. Als een bestemmingsreserve binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een (volledige) besteding, wordt de bestemmingsreserve heroverwogen of wordt deze aan de algemene reserve toegevoegd. 5.. Er wordt een centrale administratie bijgehouden van alle ingestelde reserves inclusief de daarvoor geldende instellingscriteria. Elke raadsperiode wordt minimaal 1 keer een onderzoek gedaan naar de reserves. Dit onderzoek vindt bij voorkeur in de eerste helft van de raadsperiode plaats. 6.. In de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves aan de taakvelden plaats. 7.. Een voorziening om lasten van groot onderhoud gelijkmatig te verdelen wordt met instemming van de raad ingesteld. Dit op basis van een recent beheerplan van maximaal vijf jaar oud ten opzichte van het verslagjaar. Kosten van groot onderhoud aan kapitaalgoederen worden ten laste van de vooraf gevormde voorziening gebracht.

Rechtspraak bij dit artikel