In artikel 3:9 van de APV is bepaald dat een vergunning kan worden ingetrokken als hiervan geen gebruik wordt gemaakt. Ten aanzien van standplaatsvergunningen wordt dit als volgt gepreciseerd: intrekking vindt plaats als er in de volgende tijdvakken geen gebruik van wordt gemaakt:
Bij vaste standplaatsen:
een maand
Bij seizoensstandplaatsen:
drie weken.
Omdat de standplaatsen (in beginsel) zijn aan te merken als ‘schaars’, en er vaak meerdere gegadigden zijn, is een langdurig verzuim niet gewenst. Ingeval van bijzondere omstandigheden, ter beoordeling van het college, kan worden afgeweken van de intrekkingstermijnen.
De overige algemene intrekkingsgronden uit de VFL zijn eveneens van toepassing.