Naar hoofdinhoud
De directeur van DCMR Milieudienst Rijnmond: Neemt bij de aan hem in mandaat opgedragen bevoegdheden de algemene instructies en de instructies per geval van het college in acht, als bedoeld in artikel 10:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht; Betrekt bij de uitoefening van de aan hem opgedragen bevoegdheden de relevante door de gemeenteraad vastgestelde kaders alsmede het door het college vastgestelde beleid. De directeur van DCMR Milieudienst Rijnmond treedt in overleg met het college indien hij het noodzakelijk acht af te wijken van deze kaders of dit beleid; en Informeert het college indien de uitoefening van een gemandateerde bevoegdheid naar verwachting politieke en maatschappelijke gevolgen kan hebben of indien een besluit tot consequentie kan hebben dat de gemeente aansprakelijk wordt gesteld of anderszins aangesproken wordt. In deze gevallen verschaft de directeur van DCMR Milieudienst Rijnmond tijdig alle benodigde informatie en voert hij overleg met het college of en hoe hij de bewuste bevoegdheid mag uitoefenen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel