Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
De vergunning wordt verleend
als omgevingsvergunning door het bevoegde gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit.
door het college in de overige gevallen.
Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Omgevingsverordening Limburg 2014, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 4
Artikel 2.5