Naar hoofdinhoud
1.. In dit hoofdstuk en de daarop berustende regels wordt verstaan onder: beoordelingsformulier bomen: het door burgemeester en wethouders vastgestelde formulier waarop de waarde van de bomen wordt bepaald beschermenswaardige boom: monumentale boom, konings- of herdenkingsboom. boom: een houtig opgaand gewas met een stamdiameter van minimaal 10 centimeter, welke valt onder of onderdeel is van een houtopstand; bebouwde kom: ‘Bebouwde kom Boswet’, vastgesteld door de gemeenteraad, zoals bedoeld in artikel 4.1, onderdeel a van de Wet natuurbescherming op grond van artikel IV, lid 4 van het Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet aangemerkt als bebouwingscontour houtkap; bosplantsoen: een houtopstand die bestaat uit struiken en/of bomen eventueel in combinatie met boomvormers, struikvormers, naaldhoutsoorten en/of onder begroeiing (bv. kruiden, planten etc.) die zich bevindt op een erf of terrein; dunning: selectieve velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstanden die zich bevinden in een bosplantsoen of windsingel; erf: perceel > 450 m2, behorende bij een één- of meergezinswoning; hakhout: één of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal, bosplantsoen of windsingel; houtwal: een afscheiding in het landschap, die wordt gevormd door een, al dan niet verhoogde, smalle strook grond met daarop volgroeide beplanting in de vorm van hakhout en struiken; monumentale boom: bijzondere beschermwaardige boom of houtopstand van 60 jaar of ouder met een levensverwachting van minimaal 10 jaar en die voldoet aan één van de volgende criteria: beeldbepalend, cultuurhistorische waarde, dendrologische waarde, natuurwaarde of zeldzaamheid; perceel: bij elkaar behorende grond met of zonder bebouwing zoals is geregistreerd bij het Kadaster; terrein: alle percelen niet behorende bij een één- of meergezinswoning; tuin: perceel ≤ 450 m2, behorende bij een één- of meergezinswoning; windsingel: een beplantingsstrook met als functie een terrein er achter (of er binnen) te beschermen tegen wind. 2.. In dit hoofdstuk wordt onder vellen mede verstaan: het rooien, met inbegrip van verplanten, het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen en dunning, alsmede het verrichten van handelingen, zowel bovengronds als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van een houtopstand ten gevolge kunnen hebben. 3.. Voor het bepalen van de diameter van de stam van de boom gelden de volgende regels: de diameter (of omtrek) wordt gemeten op 1,30 meter boven het maaiveld; bij meerstammigheid geldt als berekening de bij elkaar opgetelde diameter (omtrek) van de afzonderlijke stammen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel