Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 4.

Omvang van het persoonsgebonden budget bij koop en huur van hulpmiddelen

Onderdeel van Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Voorschoten 2023

Lid 1. Het persoonsgebonden budget bedraagt, rekening houdend met de kosten voor verzekering en onderhoud voor de gehele gebruiksjaren, ten hoogste: SOORT VOORZIENING Aanschaf, verzekering en onderhoud hele periode Handbewogen rolstoel voor continu gebruik € 3.450,00 Handbewogen rolstoel voor incidenteel/kortdurend gebruik € 625,00 Handbewogen rolstoel voor (semi-) permanent/algemeen gebruik € 2.125,00 Handbewogen rolstoel voor actief gebruik € 3.675,00 Handbewogen kinderrolstoel voor (semi) permanent/actief gebruik € 3.000,00 Handbewogen kinderrolstoel voor permanent gebruik € 4.150,00 Elektrische rolstoel voor (semi-)permanent gebruik, primair binnen, maar ook om het huis € 10.325,00 Elektrische rolstoel voor (semi-)permanent gebruik, primair buiten, maar ook binnenshuis € 12.625,00 Elektrische kinderrolstoel € 13.775,00 Scootmobiel voor gebruik in de woonomgeving (minimaal 8 km/uur) € 3.075,00 Scootmobiel voor gebruik in de woonomgeving (minimaal 10 km/uur) € 3.900,00 Scootmobiel voor langere afstanden en intensief gebruik (minimaal 15 km/uur) € 4.825,00 Sportrolstoel € 3.450,00 Standaard driewielfiets zonder hulpmotor € 4.025,00 Standaard driewielfiets met hulpmotor € 6.575,00 Lid 2. Voor hulpmiddelen geldt een aantal gebruiksjaren van 7 jaar. Voor een sportrolstoel is dit 3 jaar. Lid 3. Indien de inwoner het persoonsgebonden budget aanwendt voor het huren van een hulpmiddel ontvangt hij per kalenderjaar het in het eerste lid genoemde totaalbedrag, gedeeld door het aantal gebruiksjaren. Lid 4. De restwaarde van het hulpmiddel kan worden teruggevraagd en wordt als volgt bepaald: Bij verhuizing of overlijden of niet meer adequaat zijn van de voorziening Restwaarde als percentage van het verstrekte persoonsgebonden budget Eerste jaar 50% Tweede jaar 40% Derde jaar 30% Vierde jaar 20% Vijfde jaar 10% Zesde jaar 0% lid 5 Voor woonvoorzieningen wordt in principe geen pgb toegekend voor onderhoud en verzekering . Hier zijn uitzonderingen mogelijk bij bijvoorbeeld een traplift. Het moet gaan on voorzieningen waar de gemeente verplicht is de technische onderhoudsstaat te keuren en te onderhouden. De hoogte van het pgb is dan gelijk aan de hoogte van de zorg in natura. Voor roerende woonvoorzieningen worden na toestemming vooraf op declaratiebasis reparatiekosten toegekend.

Rechtspraak bij dit artikel