**1..** Een woonschip wordt geacht te voldoen aan de eisen van de maatvoering indien:
de lengte van het woonschip maximaal 30 meter bedraagt;
de breedte van het woonschip maximaal 6 meter bedraagt;
de gemiddelde goothoogte niet meer bedraagt dan 4 meter boven de waterspiegel, met dien verstande dat het deel van de opbouw dat een goothoogte heeft van meer dan 4 meter niet langer mag zijn dan eenderde van de lengte van het woonschip en niet hoger mag zijn dan 5 meter boven de waterspiegel;
de gemiddelde nokhoogte bij schuine daken niet meer bedraagt dan 4,5 meter boven de waterspiegel en de maximale nokhoogte niet meer bedraagt dan 5.5 meter boven de waterspiegel;
aan- dan wel opbouwen binnen de omtrek van het woonschip passen
**2..** De in het eerste lid genoemde maten worden uitwendig gemeten daar waar zij het grootst zijn. Ondergeschikte bouwdelen, zoals lichtkoepels en antennes worden niet meegerekend.
Hoofdstuk 5.
Artikel 5.8