1.
De hoofdbudgethouder en de budgethouder zijn bevoegd binnen het toegekende budget voor een product budgettair neutraal te schuiven met kostensoorten. Aan deze bevoegdheid zijn de volgende voorwaarden verbonden:
° a.
de aan het budget verbonden doelstelling wordt gerealiseerd;
° b.
incidentele budgetten mogen niet worden aangewend voor structurele uitgaven;
° c.
een budget ten behoeve van uitgaven mag niet worden gecompenseerd met een budget ten behoeve van inkomsten;
° d.
meevallers mogen niet worden gebruikt om extra uitgaven te doen maar vallen vrij ten gunste van de algemene middelen;
° e.
budgetsubstitutie wordt op initiatief van de budgethouder vastgelegd in een administratieve begrotingswijziging;
° f.
de volgende kostensoorten zijn van substitutie uitgesloten: reserveringen en voorzieningen, kapitaallasten, doorbelastingen vanuit kostenplaatsen en salariskosten.
2.
Een verschuiving of vrijval die structureel van aard is moet in de eerstvolgende begroting als zodanig worden verwerkt.
Artikel 5