Naar hoofdinhoud
1.. Het college verleent met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.3.6 van de wet op verzoek van de cliënt een pgb indien: de cliënt naar het oordeel van het college al dan niet met hulp uit het sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen, en in staat kan worden geacht om de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen; naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. 2.. De hoogte van een pgb: wordt gebaseerd op een door de cliënt opgesteld plan waarin de wijze van besteding van het pgb wordt toegelicht; is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, indien nodig aangevuld met een bedrag voor onderhoud en verzekering, en bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate beschikbare maatwerkvoorziening in natura. 3.. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen en woningaanpassingen bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende voorziening in natura, indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en reparatie. 4.. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor onderhoud en reparatie bedraagt: per jaar voor trapliften € 160,69 voor onderhoud en maximaal € 600,- voor reparaties; bij overige woningaanpassingen of woonvoorzieningen 4,4% van het persoonsgebonden budget voor de woningaanpassing of de woonvoorziening en wordt uitbetaald nadat een factuur of offerte is ingeleverd; per jaar 5,6% voor niet-elektrische rolstoelen of vervoersvoorzieningen, 4,4% voor elektrische rolstoelen of elektrische vervoersvoorzieningen voor volwassenen en 7,8% voor elektrische rolstoelen of vervoersvoorzieningen voor kinderen van het persoonsgebonden budget voor de voorziening en wordt uitbetaald nadat een factuur of offerte is ingeleverd. 5.. Het bedrag genoemd in het vierde lid wordt met € 62,40 per jaar verhoogd indien door cliënt een WA-verzekering voor elektrische voorzieningen is afgesloten. 6.. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor: het vervoer per eigen auto is per kilometer gelijk aan het in artikel 13a, lid 4, onder b Wet op de loonbelasting genoemde bedrag; een autoaanpassing bedraagt maximaal € 6.065,63 per zeven jaar en wordt alleen verstrekt onder de volgende voorwaarden: de cliënt is in het bezit van een eigen auto en is de bestuurder; de cliënt is aangewezen op een vervoersvoorziening voor de korte én middellange afstand; er wordt naast het persoonsgebonden budget voor de autoaanpassing geen andere vervoersvoorzieningen verstrekt voor de korte en middellange afstand; alleen de door het CBR vastgestelde noodzakelijke aanpassingen komen tot genoemd maximum voor vergoeding in aanmerking, met uitzondering van algemeen gebruikelijke aanpassingen, zoals bijvoorbeeld een automaat; uitbetaling vindt plaats binnen twaalf maanden na de verzenddatum van de toekenningsbeschikking, na inlevering van de facturen en een kopie van de noodzakelijke aanpassingen zoals vastgesteld door het CBR en van het nieuwe rijbewijs. verhuiskosten bedraagt maximaal € 4.000,-; een woningaanpassing in plaats van verhuiskosten bedraagt maximaal € 4.000,- op voorwaarde dat hiermee een adequate aanpassing in de huidige woning wordt gerealiseerd conform een door het college opgesteld programma van eisen; een woningsanering of vervanging van de vloerbedekking in verband met rolstoelgebruik wordt bepaald aan de hand van de afschrijvingstermijn van de noodzakelijk te vervangen vloerbedekking en gordijnen in woonkamer en slaapkamer en bedraagt het volgende percentage van de kosten: 100% indien het artikel nieuwer is dan twee jaar; 75% indien het artikel tussen de twee en vier jaar oud is; 50% indien het artikel tussen de vier en zes jaar oud is; 25% indien het artikel tussen de zes en acht jaar oud is; waarbij voor te vervangen zaken ouder dan 8 jaar er geen voorziening wordt verstrekt. aanschaf en onderhoud van een sportvoorziening bedraagt maximaal € 3.010,67 voor een periode van ten minste 3 jaar; het bezoekbaar maken van een woning bedraagt maximaal € 4.000,- en wordt eenmalig verstrekt. 7.. Het persoonsgebonden budget voor huishoudelijke ondersteuning is gelijk aan de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening in natura, minus 10 procent. 8.. Het persoonsgebonden budget voor begeleiding basis Wmo en begeleiding specialistisch Wmo is gelijk aan de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening in natura, minus 10 procent. 9.. Het persoonsgebonden budget voor groepsbegeleiding ontwikkeling en groepsbegeleiding stabiel is gelijk aan de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening in natura, minus 10 procent. 10.. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is bepaald op basis van de verordening en nadere regels van de gemeente Arnhem. 11.. Het persoonsgebonden budget voor activerend werk is gelijk aan de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening in natura voor de betreffende trede van de participatieladder, minus 10 procent. 12.. In afwijking van het achtste lid is de hoogte van een persoonsgebonden budget voor begeleiding basis Wmo en begeleiding specialistisch Wmo door een persoon uit het sociaal netwerk van de cliënt per uur gelijk aan het in artikel 5.22, eerste lid Regeling langdurige zorg genoemde bedrag. 13.. In afwijking van het negende en elfde lid is de hoogte van een persoonsgebonden budget voor groepsbegeleiding en verblijf, indien deze wordt geboden door een persoon uit het sociaal netwerk, gelijk aan de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor een hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 2ab van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt kan worden volstaan met een lager persoonsgebonden budget. 14.. Het college legt in de nadere regels Wmo de tarieven vast die voortvloeien uit dit artikel en die gehanteerd worden bij het vaststellen van een pgb. 15.. Een pgb wordt niet besteed aan: tussenpersonen en belangenbehartigers; eenmalige uitkeringen; feestdagenuitkeringen; reiskosten van de zorgaanbieder; administratieve kosten van de zorgaanbieder; hulp of ondersteuning die zonder toestemming van het college daartoe in het buitenland wordt afgenomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel