Aan burgemeester en wethouders te delegeren de bevoegdheden tot het vaststellen dan wel het niet-vaststellen van een exploitatieplan zoals bedoeld in artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening, voor die gevallen waarin zij gebruik maken van hun bevoegdheid om omgevingsvergunning te verlenen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c in combinatie met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° of 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of voor die gevallen waarin zij gebruik maken van hun bevoegdheid een wijzigingsplan vast te stellen, zoals bedoeld in artikel 3.6, eerste lid onder a van de Wet ruimtelijke ordening.