De kosten van de VTH-taken, met name voor de vergunningverlening, worden voor een deel gedragen door inkomsten uit leges. Toezicht op de uitvoering van een vergunning worden ook via de leges gedekt. De kosten voor handhaving of evt. bezwaar en beroep mogen niet via de leges verrekend worden.
Uitgangspunt bij de legesheffing is dat het geheel van de opbrengsten uit (VTH-)leges de kosten van deze activiteit dragen (en niet meer dan dat). Bij de bepaling van de tarieven per product wordt gekeken naar de kosten die met het verlenen van een vergunning zijn gemoeid, het belang van de activiteit of het voornemen en het profijt dat de aanvrager ervan heeft. Dit betekent in de praktijk dat bv. vergunningen voor kappen of kleine verbouwingen relatief laag geprijsd worden, en voor grote bouwwerken juist relatief hoog, in verhouding tot de kosten.
De Ow zal de basis voor het heffen van de leges veranderen, omdat er meer met algemene zorgplichten en meldingsplichten gewerkt gaat worden. De klantvragen over algemene regelgeving zullen waarschijnlijk toenemen en voor meldingen kunnen geen leges worden geheven. Omdat ook de Ow geen mogelijkheid heeft om de kosten van generiek toezicht en handhaving via leges te dekken, staat de financiering van deze taken onder druk. De kosten voor milieu gerelateerde vergunningen en maatwerk beschikkingen kunnen met de Ow wel in rekening gebracht worden. Ook de komst van de Wkb heeft invloed op inkomsten uit leges. Een deel van de aanvragen voor omgevingsvergunningen waarvoor burgers leges moeten betalen, komt te vervallen. Daarbij valt een behoorlijk deel aan werk weg, doordat de bouwtechnische toets door de gemeente voor de gevolgklassen 0 en 1 vervalt. Na de invoering van de Ow en de Wkb zal blijken welke nieuwe balans er tussen kosten en baten zal ontstaan, en zal de budgettering van VTH daar op aangepast moeten worden.
Hoofdstuk 6. › Paragraaf 6.2
Artikel 6.2.2
Leges en kostendekking
Onderdeel van VTH-Beleidsplan 2023