Voor subsidie komen de redelijk gemaakte kosten in aanmerking die direct verbonden zijn met de uitvoering van een activiteit als bedoeld in artikel 9.5. Hieronder vallen in ieder geval:
kosten voor begeleiding van cultuureducatie en de daarmee verbonden materiaalkosten;
kosten voor toegang bij een kunstbezoek;
kosten van vervoer van leerlingen en begeleiders verbonden aan een kunstbezoek.