In deze verordening wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet werk en bijstand (WWB);
b. gehuwdennorm: de norm bedoeld in artikel 21 onder c, van de wet;
c. uitkeringsgerechtigde: degene die een periodieke uitkering voor levensonderhoud ontvangt op
grond van de wet;
d. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Castricum;
e. woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op de huurtoeslag, als mede een woonwagen of woonschip, als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de wet;
f. woonkosten:
1°. indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag;
2°. Indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud;
g. kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind;
h. ten laste komend kind: het kind voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken;
i. verzorgingsbehoevende: degene die zonder verzorging zou zijn aangewezen op opname in een instelling ter verzorging of verpleging;
j. verzorgende: degene die de verzorgingsbehoevende verzorgt;
k. schoolverlater: de uitkeringsgerechtigde die 6 maanden voorafgaand aan de aanvraag voor een uitkering de deelname aan onderwijs of een beroepsopleiding heeft beëindigd;
l. dak- of thuisloze: persoon zonder vaste woon- of verblijfplaats.