Naar hoofdinhoud
1.. In aanvulling op de artikelen 6.1 tot en met 6.4 van de Asv wordt aan de subsidieontvanger één van de volgende verplichtingen op gelegd: de gronden waarop het te verplaatsen landbouwbedrijf wordt uitgeoefend worden verkocht en in eigendom overgedragen vrij van enig gebruiksrecht aan de provincie Utrecht; ten laste van de gronden waarop het te verplaatsen landbouwbedrijf wordt uitgeoefend wordt een kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 6:252 van het Burgerlijk Wetboek gevestigd, waarin wordt opgenomen dat de eigenaar van de grond de betreffende grond niet gebruikt of doet gebruiken als landbouwgrond en overigens datgene nalaat wat de reductie van stikstofemissie in gevaar brengt; ten laste van de gronden waarop het te verplaatsen landbouwbedrijf wordt uitgeoefend wordt een kwalitatieve verplichting gevestigd ten gunste van de provincie Utrecht, teneinde de met deze gronden te realiseren natuurdoelen te borgen, indien de eigenaar van het landbouwbedrijf deze gronden wenst in te richten en te beheren als natuur. 2.. In aanvulling op het eerste lid worden aan de subsidieontvanger de volgende verplichtingen opgelegd: de toestemming voor de landbouwactiviteit van het te verplaatsen landbouwbedrijf wordt op verzoek van de vergunninghouder ingetrokken door het daartoe bevoegde gezag waarbij de vergunninghouder de vrijgekomen depositieruimte niet mag gebruiken voor extern salderen of anderszins inzetten als mitigerende maatregel; de subsidieontvanger realiseert de hervestiging van een volwaardig landbouwbedrijf op de hervestigingslocatie binnen 24 maanden na de datum van het besluit tot subsidieverlening. 3.. De kwalitatieve verplichting, bedoeld in het eerste lid, onder b en c, wordt bij notariële akte opgemaakt en ingeschreven in de openbare registers.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel