Wat betreft hoogbegaafde kinderen worden gemeenten regelmatig geconfronteerd met aanvragen voor bekostiging van het vervoer naar scholen, die zich richten op dit type kinderen.
In 2001 heeft de rechter hier een uitspraak over gedaan. Het gaat over een zaak die speelde in Emmen. De gemeente Emmen wees een soortelijk verzoek af, omdat er voldoende dichterbij gelegen onderwijsvoorzieningen zijn. Er was geen reden de hardheidsclausule toe te passen. Met de gemeente was de rechtbank van mening dat de aanvrager niet heeft aangetoond dat dichter bijgelegen scholen niet geschikt zouden zijn. De rechter merkte op dat zelfs als bewezen zou zijn dat deze school ongeschikt is, dit nog niet meebrengt dat er aanspraak op een vervoersvoorziening zou kunnen zijn naar de verder weg gelegen school. Het staat immers niet objectief vast dat deze school voor de leerling wel geschikt is en of dit dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school is. De rechter vindt het dan wel mede op de weg van de gemeente liggen om aan te geven welke dichterbij gelegen school geschikt is.
Wanneer voor een hoogbegaafde leerling het reguliere basisonderwijs niet adequaat is en de leerling als gevolg daarvan een school voor gewoon voortgezet onderwijs bezoekt, dan hoeft de gemeente volgens de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen bekostiging van de kosten van het leerlingenvervoer toe te kennen. De reden hiervoor is dat een school voor gewoon voortgezet onderwijs geen school is in de zin van de WEC (uitspraak van 9 november 1995, nr. H 01.95.0165; zie Jur. 21.8; in een uitspraak van 23 april 1998, nr. H01.98.0221 bevestigd).
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.4
Hoogbegaafde leerling
Onderdeel van BELEIDSREGELS LEERLINGENVERVOER GEMEENTE HEUMEN 2015