Verrekening bijstand
Als de belanghebbende bijstand ontvangt van de gemeente Hattem, wordt de vordering op grond van de Pw, IOAW of IOAZ in maandelijkse termijnen met deze bijstand verrekend. Deze verrekening vindt plaats op grond van artikel 60, lid 3 Pw en artikel 6:127 Burgerlijk Wetboek.
Als belanghebbende bijstand ontvangt van een andere gemeente of een andere instantie zoals genoemd in artikel 60a Pw, wordt de vordering of geldlening in maandelijkse termijnen met deze bijstand verrekend. Deze verrekening vindt plaats op grond van het in dit lid genoemde artikel (pseudo-verrekening).
Bij terugvordering op grond van artikel 58, lid 2 Pw en aflossing op leenbijstand bedraagt het in te houden bedrag 5% van de bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag.
Bij terugvordering op grond van artikel 58, lid 1 Pw bedraagt het in te houden bedrag 5% van de bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag.
Bij een IOAZ en IOAW uitkering wordt het aflossingsbedrag bepaald op 5% van de bruto uitkeringsgrondslag.
Als de bijstand van de gemeente op enig moment wordt beëindigd, wordt aan de belanghebbende verzocht om de verschuldigde aflossingen zelf te blijven voldoen. Er wordt vervolgens wel een onderzoek ingesteld naar de aflossingscapaciteit van de belanghebbende, en wanneer nodig wordt het aflossingsbedrag gewijzigd vastgesteld.
Als de bijstand wordt beëindigd, wordt de reservering van het vakantiegeld met de vordering verrekend.
Vaststellen aflossingscapaciteit bij terugvordering
In geval van terugvordering op grond van artikel 58, lid 2 Pw wordt de aflossingsverplichting gesteld op 5% van de geldende norm voor personen met een inkomen tot 120% van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm. Van inkomsten boven 120% van de geldende bijstandsnorm wordt 35% vastgesteld als aflossingscapaciteit.
In geval van terugvordering op grond van artikel 58, lid 1 Pw wordt de aflossingscapaciteit gesteld op 5% van de geldende norm voor personen met een inkomen tot 120% van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm. Van inkomsten boven 120% van de geldende bijstandsnorm wordt 35% vastgesteld als aflossingscapaciteit.
In voorkomende gevallen kan de hoogte van de aflossingsverplichting individueel worden bepaald.
Als belanghebbende geen bijstand ontvangt en verzoekt om een aflossingsregeling kan hiermee worden ingestemd wanneer de vordering in 36 maanden afgelost kan zijn en het aflossingsbedrag minimaal € 50,- per maand bedraagt.
Als de vordering niet in 36 maandelijkse termijnen kan zijn afgelost, wordt een onderzoek ingesteld naar de aflossingscapaciteit van de belanghebbende. Daarbij worden de financiële- en persoonlijke omstandigheden van belanghebbende in acht genomen.
Als belanghebbende niet meewerkt aan een onderzoek naar zijn draagkracht, wordt het aflossingsbedrag ambtshalve vastgesteld. Ook kan onder toepassing van artikel 60, lid 6 Pw in dat geval direct beslag worden gelegd op het inkomen van de belanghebbende, waarbij de beslagvrije voet komt te vervallen.
Het aflossingsbedrag zoals medegedeeld in het terugvorderingsbesluit, het besluit tot uitstel van betaling of dat met de belanghebbende op grond van een minnelijke regeling wordt overeengekomen, geldt als een opgelegde betalingsverplichting.