Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.2

Voorliggende voorzieningen

Onderdeel van Beleidsregels Wmo gemeente Nuenen 2023

Dit artikel heeft betrekking tot artikel 2 van de Wmo-verordening 2021 van de gemeente Nuenen c.a.. 2.2.1 (Wettelijk) voorliggende voorzieningen Dit zijn (wettelijke) voorzieningen waar de cliënt een beroep op kan doen voordat een maatwerk- of individuele voorziening wordt overwogen. De algemene voorziening is het CMD. Voorbeelden van andere voorzieningen zijn: onderwijs, peuterspeelzaalwerk, kinderopvang, voorschoolse educatie, jongerenwerk, consultatiebureau, recreatie op (sport cultuur), inloophuizen, seniorenverenigingen, Hulp bij thuisadministratie, fietsmaatje, regionaal Alzheimercafe, klussendienst, inloopactiviteiten, welzijnswerk, maar ook de Wlz en zorgverzekeringswet. Indien er twijfel bestaat of de client onder de Wlz of Wmo valt wordt een overbrugging van 3 maanden georganiseerd vanuit de Wmo. Hierdoor valt de inwoner niet tussen wal en schip. Als het volstrekt duidelijk is dat de client in aanmerking komt voor Wlz dan wordt naar de Wlz doorverwezen. Wlz is geen keuze bij vermoeden aanspraak WLZ, vervalt de Wmo onderzoeksplicht. De client is zelfverantwoordelijk voor de Wlz-aanmeldprocedure. Dit artikel heeft betrekking tot artikelen 1, 2, 4, en 7 van de Wmo-verordening 2021 van de gemeente Nuenen c.a.. 2.2.2 Algemeen gebruikelijke voorzieningen en gebruikelijke hulp Activiteiten van het dagelijks leven en vrijetijdsbesteding zijn normale activiteiten. Hiervoor ligt de verantwoordelijkheid bij de cliënt of zijn huisgenoten. Ook voor mensen met verminderde zelfredzaamheid zijn er veel algemeen beschikbare en redelijke oplossingen die mensen zonder beperking ook zelf moeten regelen of betalen. Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die voldoet aan de volgende criteria: De voorziening is in de reguliere handel verkrijgbaar; Onder gebruikelijke hulp verstaan we hulp die verwacht wordt van huisgenoten omdat deze normaal is in de relatie tussen huisgenoten, ook wanneer de huisgenoot geen beperking zou hebben. Begeleiding/ondersteuning door een partner, ouder, volwassen inwonend kind of andere volwassen huisgenoot wordt als gebruikelijke hulp beschouwd. Gebruikelijke hulp- en zorg In de praktijk worden de termen gebruikelijke hulp en gebruikelijke zorg vaak door elkaar gebruikt. In de Wmo 2015 wordt de term ‘gebruikelijke hulp’ gehanteerd. Terwijl de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) spreekt over ‘gebruikelijke zorg’. Wat is nu eigenlijk het verschil? Gebruikelijke zorg is de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als een leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden. Gebruikelijke zorg is een onderdeel van gebruikelijke hulp. Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Het is dus breder dan gebruikelijke zorg en ziet ook op andere onderdelen dan alleen het voeren van een huishouden. Alleen bij een langdurige situatie (langer dan 3 maanden) wanneer sprake is van Bovengebruikelijke hulp, kan begeleiding worden ingezet. Het CIZ heeft schema’s waarin per leeftijdscategorie, vaardigheden en behoefte aan toezicht of hulp voor gezonde kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel staan. Hiermee kan objectief bepaald worden welke taken gebruikelijk of bovengebruikelijk zijn. Als een diagnose ontbreekt doordat de cliënt zorg mijdt (huisarts/specialist) kan begeleiding worden ingezet ‘bij een sterk vermoeden van’. Het doel van de begeleiding is de situatie te stabiliseren en de cliënt te bewegen om behandeling te aanvaarden. Dit artikel heeft betrekking tot artikelen 7 van de Wmo-verordening 2021 van de gemeente Nuenen c.a.. 2.2.3 Algemeen gebruikelijke voorzieningen en gebruikelijke hulp Maatwerkvoorzieningen die worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel passend als de meest goedkope maatwerkvoorziening te zijn. Zijn er twee of meer maatwerkvoorzieningen passend, dan zal gekozen worden voor de goedkoopste maatwerkvoorziening. Indien de inwoner een duurdere voorziening wil (die eveneens passend is) komen de meerkosten van die duurdere voorziening voor rekening van de inwoner. In dergelijke situaties zal de verstrekking, indien de inwoner met een pgb kan omgaan, plaatsvinden in de vorm van een pgb gebaseerd op de goedkoopst adequate voorziening. Dit artikel heeft betrekking tot artikelen 7 van de Wmo-verordening 2021 van de gemeente Nuenen c.a.. 2.2.4 Voorzienbaarheid Het college kan voorzieningen weigeren als iemand iets aanschaft of verhuist zonder rekening te houden met zijn beperkingen en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Er is dan al sprake van beperkingen. Het college kan niet van de inwoner eisen dat hij preventief maatregelen treft en investeringen doet, die moeten voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden leiden tot een beroep op de Wmo. Er is dan nog geen sprake van beperkingen. Als een inwoner een aantal jaren geleden een bad heeft laten plaatsen in de jaren daarna gezondheidsklachten heeft ontwikkeld, kan dus gesteld worden dat de problemen niet te voorzien waren. Maar iemand die particuliere schoonmaakhulp in huis heeft, de hulp vervolgens zelf opzegt, bijvoorbeeld vanuit kostenoverwegingen, en vervolgens een beroep doet op de Wmo-maatwerkvoorziening Huishoudelijke Hulp brengt zichzelf bewust in een afhankelijke voorzienbare positie. Voorzienbaarheid is moeilijk vast te stellen, van belang is wanneer en wat de inwoner had kunnen weten.

Rechtspraak bij dit artikel