Burgemeester en wethouders wijzen een aanvraag voor een
woonvoorziening als bedoeld in artikel 4.1 af indien:
de persoon met beperkingen is verhuisd vanuit een woning
waarin hij bij normaal gebruik geen belemmeringen ten
gevolge van ziekte of gebrek ondervond, tenzij er een
belangrijke reden voor de verhuizing bestond; of
de persoon met beperkingen niet is verhuisd naar de voor
zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest
geschikte woning, tenzij tevoren schriftelijk
toestemming is verleend door burgemeester en wethouders;
of
er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen
de ondervonden (naar objectief medische maatstaf
aanwezige) beperkingen en een of meer bouwkundige of
woontechnische kenmerken van de door de persoon bewoonde
woning; of
de beperkingen niet in de woning zelf (waartoe ook de
toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen)
worden ondervonden;
Hoofdstuk 4 › Paragraaf 3
Artikel 4.6
Weigeringsgronden woonvoorzieningen
Onderdeel van Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning (WMO) 2011