Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 44

Artikel 44

Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling GBLT

1.. Een deelnemer kan uittreden uit de regeling. 2.. Het college van een deelnemer dat uit de regeling wenst te treden, maakt zijn voornemen tot uittreding schriftelijk kenbaar aan het algemeen bestuur en aan de overige deelnemers. 3.. Binnen zestien weken na ontvangst van het voornemen tot uittreding neemt het algemeen bestuur een besluit dat de datum van uittreding bepaalt en de gevolgen van de uittreding regelt, de financiële en personele gevolgen daarbij inbegrepen. 4.. In het besluit als bedoeld in het derde lid kan het algemeen bestuur bepalen dat de uittredende deelnemer verplicht is tot betaling van een bijdrage voor de duur van ten hoogste twee kalenderjaren na het moment van uittreding uit de regeling. In het eerste kalenderjaar na het moment van uittreding bedraagt deze bijdrage maximaal 60% van de bijdrage die de uittredende deelnemer betaalde in het laatste kalenderjaar van deelname. In het tweede kalenderjaar na het moment van uittreding bedraagt deze bijdrage maximaal 30% van de bijdrage die de uittredende deelnemer betaalde in het laatste kalenderjaar van deelname. 5.. Het dagelijks bestuur zendt de uittredende deelnemer en de overige deelnemers het besluit als bedoeld in het derde lid en verzoekt de overige deelnemers in te stemmen met het besluit tot uittreding van de uittredende deelnemer. 6.. De uittredende deelnemer en de overige deelnemers besluiten over de uittreding nadat zij daartoe toestemming hebben verkregen van hun vertegenwoordigend orgaan. 7.. Tenzij het algemeen bestuur een kortere termijn bepaalt, kan de uittreding niet eerder plaatsvinden dan tegen 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de uittreding is ingeschreven in het gemeentelijk register als bedoeld in artikel 27 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Rechtspraak bij dit artikel