Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 3.

Eigen verantwoordelijkheid

Onderdeel van Beleidsregels Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2023

De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Jeugdwet bieden uitsluitend mogelijkheden voor de inzet van maatwerkvoorzieningen als het niet in iemands eigen vermogen of dat van zijn/haar ouders ligt het probleem op te lossen inclusief de inzet van andere voorliggende mogelijkheden. Tijdens het gesprek komt de eigen verantwoordelijkheid als een van de hoofdonderwerpen aan de orde. Casus 1. Eigen kracht/verantwoordelijkheid ouders (Jeugd) De kern van de eigen kracht in de Jeugdwet is door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (deels) ingevuld door de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2362 (Jeugdwet t.a.v. eigen verantwoordelijkheid ouders). De kern van de uitspraak is dat ouders op de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Hebben zij zelf mogelijkheden om de problemen het hoofd te bieden, dan is een voorziening van de gemeente niet nodig. Uit de uitspraak van de CRvB, moet worden afgeleid dat ook bovengebruikelijke hulp onder eigen kracht kan vallen en dus van ouders gevergd kan worden. Daarbij moet die eigen kracht van ouders echter wel goed onderzocht worden. De CRvB benoemt daarbij een aantal factoren. Met name die factoren zijn van belang voor de uitvoeringspraktijk, want de CRvB acht het onderzoek daarmee voldoende zorgvuldig. Het gaat om: de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige; de voor hem benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan; de mogelijkheden, draagkracht en belastbaarheid van ouders; de samenstelling van het gezin en de woonsituatie en het belang van ouders om te voorzien in een inkomen. In dit voorbeeld gaat het om een moeder die een pgb verzoekt voor de zorg die ze haar kind biedt. Was het anders geweest als deze moeder zorg in natura had gewenst? Dat lijkt onwaarschijnlijk. De vraag of sprake is van voldoende eigen probleemoplossend vermogen, staat immers helemaal los van de vraag in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Als er voldoende eigen kracht is, hoeft op grond van artikel 2.3 Jeugdwet geen voorziening te worden verstrekt. Dan kom je dus ook niet toe aan de vraag welke verstrekkingsvorm het meest passend is. Casus 2. Huishoudelijke hulp Een oplossing van problemen kan al aanwezig zijn doordat deze feitelijk al jaren behoort tot iemands normale levenspatroon. Bij problemen met het schoonhouden van het huis zijn er mensen die gewend zijn daar iemand voor in te huren. In deze situatie hoeft feitelijk niets te veranderen wanneer men ouder wordt of door een ongeval beperkingen krijgt. Door voort te zetten wat men al had georganiseerd, ontstaat er geen probleem dat om een oplossing vraagt. Het wordt anders wanneer door het ontstaan van de beperking het inkomen daalt. Het kan dan zijn dat iemand de eerder ingehuurde schoonmaakhulp niet meer kan betalen. Dit kan aanleiding zijn om wel ondersteuning te bieden vanuit de gemeente. Uiteraard moet er dan zorgvuldig onderzoek verricht moeten worden, met name naar de eerdere situatie, zowel wat betreft hulp als wat betreft inkomen, en de veranderde situatie. Het kan ook zijn dat er (veel) meer hulp in de huishouding nodig is. Dan zou het kunnen zijn dat er wel sprake is van meerkosten en dat er daardoor gecompenseerd moet worden. Eigen verantwoordelijkheid betekent daarnaast bijvoorbeeld ook de aanschaf en het gebruik van zoveel mogelijk strijkvrije kleding om onnodig beroep op ondersteuning te voorkomen Zie o.a. Rechtbank Oost-Brabant 26-02-2014 en Centrale Raad van Beroep (CRvB) 11-11-2015. In het onderzoek kunnen ook samen met de inwoner nieuwe technische mogelijkheden worden verkend: slimme wasmachines, drogers of een robotstofzuiger kunnen voor extra ontlasting zorgen. Casus 3. Vervoer met auto Veel mensen zijn gewend om bijna hun hele leven gebruik te maken van een auto. Als zij een beperking krijgen, door leeftijd of door een ongeval, hoeft er in feite niets te veranderen, als zij met diezelfde auto in staat blijven hun verplaatsingen te maken. Er hoeft dan niet gecompenseerd te worden. Dat zou anders kunnen zijn als zij door hun beperking veel meer verplaatsingen moeten gaan maken, of als de auto voor hun handicap aangepast zou moeten worden. In het eerste geval kan onderzoek verricht worden naar de aard van de extra ritten en de kosten daarvan, in relatie tot het eerdere verplaatsingspatroon zou een maatwerkvoorziening mogelijk zijn als er blijkt dat er sprake is van extra kosten. In het tweede geval, waarin sprake is van noodzakelijke autoaanpassingen, zijn er extra kosten ten gevolge van de beperking: zonder beperking waren de autoaanpassingen namelijk niet nodig geweest. In deze situatie wordt in eerste instantie gekeken of collectief vervoer (ZOOV) een adequate oplossing biedt. Collectief vervoer is in deze situatie voorliggend. Het is in deze situatie de goedkoopste oplossing. Casus 4. Woningaanpassing Ook bij woonvoorzieningen speelt de eigen verantwoordelijkheid een grote rol. Als iemand 65 is en zijn badkamer gaat renoveren mag de gemeente veronderstellen dat hij - ook al zijn er nog geen beperkingen - rekening houdt met het gegeven dat hij/zij een dagje ouder wordt. Dat betekent dat de persoon in kwestie aan een douche moet denken in plaats van uitsluitend een bad. Daar spelen allerlei individuele factoren natuurlijk in mee, zoals: is er plaats voor? Er speelt ook nog iets anders mee: van mensen wordt verwacht dat ze anticiperen op mogelijk toekomstige problemen. De gemeente is zich ervan bewust dat daarover ook voorlichting nodig is om duidelijk te maken waar verwachtingen mogen beginnen maar ook kunnen ophouden wat betreft de inzet van de gemeente in het geschikt maken van woningen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel