CROW-CUR Aanbeveling 117:2020 “Inspectie en advies civiele kunstwerken” beschrijft onder andere de wijzen voor het verkrijgen van inzicht in de staat van onderhoud. In Bijlage B is dit schematisch weergegeven. In de basis kunnen twee soorten inspecties worden onderscheiden:
• Schouw (A1)
Elk object wordt jaarlijks door het eigen personeel geschouwd. Dat gaat zonder toepassing van verkeersmaatregelen of bereikbaarheidsvoorzieningen, maar zo veel mogelijk binnen handbereik én met behulp van eenvoudige handgereedschappen. Alleen zaken die een acuut risico vormen op het moment van de schouw, worden gesignaleerd. Het einddoel van de schouw is om aan te tonen dat op het moment van de schouw, het object wel of niet veilig te gebruiken is. Doorgaans wordt ook gekeken naar het functioneren en of het object schoon en heel is. Mits oorzaken van gebreken en schades eenvoudig kunnen worden vastgesteld, kunnen de resultaten uit de schouw dienen als input voor het meerjarenonderhoudsplan.
Wanneer lange doorlooptijden worden verwacht, als gevolg van grote hoeveelheden, kan het verstandig zijn om de schouw door derden uit te laten voeren.
• Toestandsinspectie (B2)
In paragraaf 1.3 is gesproken over de door Ingenieursbureau Westenberg BV uitgevoerde inspecties. Medewerkers van dit adviesbureau hebben – met een cyclus van eens per vijf jaar – een toestandsinspectie uitgevoerd naar de staat van onderhoud van een constructie. Bij de toestandsinspectie kan het nodig zijn verkeersmaatregelen te treffen, of om bereikbaarheidsvoorzieningen in te zetten. De inspectiemiddelen zijn specialistischer dan bij een schouw. De toestandsinspecties vormen de basis voor meerjarenonderhoudsplannen.
Het is belangrijk dat de objecten periodiek worden geschouwd en geïnspecteerd, om een goed beeld te krijgen van hetkwaliteitsniveau en de onderhoudsbehoeften.
Aan een schade of gebrek ligt altijd een oorzaak ten grondslag. Belangrijk is om die vast te stellen, omdat dat tot deugdelijke acties leidt. Weten welke oorzaak ten grondslag ligt aan een schade of gebrek, voorkomt ‘lapwerk’. Als een oorzaak niet kan worden vastgesteld, kan worden overgegaan tot het monitoren van de schade of gebrek (D4), of het nemen van monsters of beproevingen (D1). Dit laatste vormt onderdeel van een nader onderzoek, met het doel om de ernst, omvang en oorzaak van een schade of gebrek te achterhalen:
• bepaling van de diepte van het carbonatatiefront, in combinatie met bepaling van de wapeningsdekking (carbonatie is het proces waarbij CO2 uit de buitenlucht de pH-waarde van het beton doet verlagen, waardoor wapeningstaal niet langer beschermd is tegen corrosie);
• mate van chloridenindringing (chloriden uit strooizouten maken dat wapeningstaal zeer lokaal in oplossing kan gaan, wat tot een verhoogd risico van plotseling falen van dat onderdeel kan leiden);
• onderzoek naar teerhoudendheid in asfalt (‘PAK-detectortest’).
4.3.2 Klein onderhoud
Dit bestaat uit eenmalige, jaarlijkse of meerjaarlijks terugkerende acties. Te denken valt aan bijvoorbeeld reinigen van houten objecten of het verhelpen van kleine schades of gebreken. Afhankelijk van de complexiteit van een schade of gebrek en de omvang ervan, kunnen de kosten beperkt of groot zijn. Vaak gaat het over eenvoudige en handmatige acties die met regelmaat nodig kunnen zijn. Voorbeelden van klein onderhoud:
• betonreparaties van eenvoudige aard;
• lokaal bijwerken van conservering;
• diverse herstelacties, zoals lokaal vervangen van houten dekdelen;
• cyclisch reinigen van objecten en verwijderen van begroeiing.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.3.1
Schouwen en inspecties
Onderdeel van Beheerplan civieltechnische en aanverwante objecten 2023-2027