Naar hoofdinhoud

Artikel 5.

Ontslag en non-activiteit

Onderdeel van Verordening rekenkamer gemeente Maashorst 2023

1.. De raad ontslaat de leden of stelt hen op non-activiteit. 2.. Een lid van de rekenkamer wordt door de raad ontslagen: op eigen verzoek; bij de aanvaarding van een functie die onverenigbaar is met het lidmaatschap; wanneer het lid bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft; indien het lid bij onherroepelijk geworden rechtelijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld; of indien het lid naar oordeel van de raad ernstig nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen. 3.. Een lid van de rekenkamer kan door de raad worden ontslagen wanneer het lid door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt zijn de functie te vervullen of indien het lid in strijd handelt met artikel 81h van de wet. 4.. De raad stelt een lid op non-activiteit indien: het lid zich in voorlopige hechtenis bevindt; het lid bij een nog niet onherroepelijk geworden uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel het lid bij zulk een uitspraak misdrijf een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft; of het lid onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak. 5.. De raad kan een lid van de rekenkamer op non-activiteit stellen, indien tegen het lid een gerechtelijk onderzoek ter zake van een misdrijf wordt ingesteld of indien er een ander ernstig vermoeden is van het bestaan van feiten en omstandigheden die tot ontslag, anders dan op gronden vermeld in artikel 81c, zesde lid, onder a. en zevende lid, onder a., zouden kunnen leiden. 6.. De raad beëindigt de non-activiteit zodra de grond voor de maatregel is vervallen, met dien verstande dat in een geval als bedoeld in het vijfde lid de non-activiteit in ieder geval eindigt na zes maanden. In dat geval kan de raad de maatregel telkens voor ten hoogste drie maanden verlengen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel