Naar hoofdinhoud
1.. Voor de toepassing van deze verordening wordt als één onroerende zaak aangemerkt: een gebouwd eigendom; een ongebouwd eigendom; een gedeelte van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt; een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; een geheel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen, of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan, of in onderdeel d bedoelde samenstellen, dat naar de omstandigheden beoordeeld één terrein vormt bestemd voor verblijfsrecreatie en dat als zodanig wordt geëxploiteerd. 2.. Voor de toepassing van deze verordening wordt als één roerende zaak aangemerkt: een binnen de gemeente gelegen roerende woon- of bedrijfsruimte welke duurzaam aan een plaats gebonden is; een gedeelte van een in onderdeel a bedoelde ruimte, dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt; een samenstel van twee of meer onder a bedoelde ruimten of in onderdeel b bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; een geheel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen, of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan, of in onderdeel d bedoelde samenstellen, dat naar de omstandigheden beoordeeld één terrein vormt bestemd voor verblijfsrecreatie en dat als zodanig wordt geëxploiteerd. 3.. Indien een onroerende zaak als bedoeld in lid 1 en een roerende zaak als bedoeld in lid 2 bij dezelfde persoon in gebruik zijn en naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar behoren, worden zij, in afwijking van de voorgaande leden, tezamen als één belastingobject aangemerkt.

Rechtspraak bij dit artikel