Reservevorming uit subsidiegelden kan alleen als de afgesproken resultaten zijn behaald. Reservevorming moet bijdragen aan het realiseren en borgen van de doelen c.q. resultaatseffecten die de instelling is gevraagd te realiseren.
Voor het benodigde totale weerstandsvermogen (egalisatiereserve) van een gesubsidieerde organisatie gaan we uit van een gedifferentieerde aanpak. Sommige organisaties hebben méér dan andere organisaties te maken met externe factoren die hun bedrijfsvoering beïnvloeden. Vergelijk hiervoor bijvoorbeeld een zwembad met een peuterspeelzaal. Eén concrete norm ten aanzien van maximale reservevorming is niet passend, evenals het vooraf aanvragen van de vorming van een bestemmingsreserve.
Het vermogen moet passend zijn bij het risicoprofiel van de organisatie. We onderscheiden twee categorieën:
Organisaties die geen of weinig risico lopen. Dit zijn organisaties met een stabiel takenpakket en weinig bedrijfsrisico’s. Deze organisaties mogen maximaal voor 10% aan vermogensvorming doen.
Overige organisaties waarbij het percentage van de vermogensvorming in overleg wordt vastgesteld. Dit kan gaan om organisaties met een hoger risicoprofiel. Dit zijn organisaties die veel verschillende projecten uitvoeren of ook afhankelijk zijn van andere inkomstenbronnen dan gemeentelijke subsidie.
Voor vermogensvormingen hanteren we de nadere regeling ‘Subsidieregeling financiën en reservevorming bij subsidieverstrekking’.
Hoofdstuk 5.
Artikel 5.5
Vermogensvorming – We hanteren maatwerk in de richtlijnen voor reserve- en vermogensvorming
Onderdeel van Subsidiebeleid Noordoostpolder 2023