Naar hoofdinhoud
een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen: niet hoger dan 5 meter, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf, de oppervlakte niet meer dan 150 m2; NB: De wettelijke voorwaarde is dat het aantal woningen niet toeneemt, tenzij het huisvesting betreft in verband met mantelzorg. Dit is geregeld in artikel 5, onderdeel 1, bijlage II Bor (onderdelen 9 en 11). 1. De mogelijkheden van dit onderdeel worden bij woningen in principe niet gebruikt, behalve de onder 3.1.a t/m 3.1.e beschreven gevallen. 2. Voor niet-woningen geldt dat dit onderdeel gebruikt kan worden. Er sprake is van een maatwerkbeoordeling. 3. Verder geldt dat als een bouwplan onder zowel artikel 4, onderdeel 1, als onder artikel 4, onderdeel 4 valt, de beleidsregels onder 3.4. gelden. Toelichting In de standaardregels, met inbegrip van toepassing van de hierin opgenomen binnenplanse afwijkingen, zijn de meest recente planologische inzichten geregeld over hetgeen ruimtelijk aanvaardbaar is. Voor woningen is al veel mogelijk in het bestemmingsplan of vergunningvrij. Bebouwing in de voortuin, meer bebouwing op het perceel of hogere bebouwing is niet wenselijk. Er is daarom geen aanleiding om verder af te wijken dan de standaardregels. Bouw van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding hiervan, binnen en buiten de bebouwde kom, is mogelijk voor zover dit voldoet aan de voorwaarden voor vergunningvrij bouwen conform artikel 2, Bijlage II Bor of de standaardregels. Voor niet-woningen ligt dat anders. Bij niet-woningen speelt namelijk het algemeen belang direct of indirect een rol. Bijvoorbeeld als het gaat om uitbreidingen van of bijbehorende bouwwerken bij gezondheidscentra, dokterspraktijken of scholen. Ook kan er sprake zijn van een afgeleid algemeen belang, zoals detailhandel, toerisme, bedrijvigheid of economie. Vaak zijn de vergunningvrije mogelijkheden onvoldoende, omdat er geen achtererf is, of het terrein gebruikt moet worden voor parkeren, of er anderszins geen reële opties zijn. Uitgangspunt is echter wel dat áls er vergunningvrij mogelijkheden zijn, deze de voorkeur hebben. Verder geldt dat het college terughoudend is met vergunningverlening indien het uitbreidingen betreft met een grote impact, zoals een extra verdieping (verticale uitbreiding) of een meerlaagse horizontale uitbreiding. Zie ook 4.5. Ad.3. Het kan voorkomen dat een bouwplan met zowel artikel 4, onderdeel 1, als met artikel 4, onderdeel 4 te vergunnen is. Voorbeelden hiervan zijn een extra verdieping op een plat dak of een duiventil op een schuin dak. Dergelijke plannen zijn namelijk te karakteriseren als dakopbouw, maar ook als uitbreiding van een hoofdgebouw. In dat geval gelden de beleidsregels voor dakopbouwen . Dat zijn namelijk specifiekere regels.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel